Natuur en milieu in Japan

OECD Environmental Performance Reviews: Japan, OECD, Paris, 1994, ISBN 92-64-14085-9

Bezien door de bril van een literair georiënteerde Nederlander zijn Japanners natuurminnaars. Veel meer dan bij ons wordt er in Japanse gedichten en romans aandacht besteed aan onderwerpen als kersebloesem en de schoonheid van meren, de zee, bossen of het landschap. Leven in harmonie met de natuur is een belangrijke boodschap van de Japanse literatuur. En Japanse wijsheid, zoals tot uiting komend in het Boeddhisme, heeft op papier meer met de natuur dan het Christendom.

Tegen deze achtergrond is het nuttig dat deskundigen ('examiners') van de OECD het Japanse beleid op het gebied van natuur en milieu hebben geëvalueerd. Tussen de literaire en religieuze bespiegelingen over de Japanse natuur en de feitelijke behandeling daarvan blijkt er een wereld van verschil te bestaan. En op het punt van het anti-vervuilingsbeleid en de bescherming van natuurlijke hulpbronnen blijkt Japan nu eens zeer voorlijk en dan weer behoorlijk achterlijk.

Het leven in harmonie met de natuur is de centrale doelstelling van het Japanse natuurbeleid. De Oecd examiners stellen vast dat deze doelstelling overeenkomt met de beweerde levensfilosofie van de doorsnee Japanner. In de praktijk wordt de natuur echter steeds verder teruggedrongen. In en bij de grote stedelijke gebieden zoals Tokio wordt het groen gedecimeerd. Meer dan 30 procent van de Japanse meeroevers is verstedelijkt. Tussen 1979 en 1992 nam het areaal natuurbos met 14 procent af. Van de gewervelde dieren staat ongeveer 20 procent onder zware tot zeer zware druk. De natuur wordt steeds meer verdreven naar moeilijk toegankelijke bergen en de grenzen van het eilandenrijk.

De opmars van de verstedelijking en het recreatiegedrag van de stedelingen blijken een hoofdrol te spelen in de terugtocht van de Japanse natuur. Voor het dempen van de kloof tussen het beweerde Japanse natuurbeleid en de harde praktijk is een drastische herziening van de regeringspolitiek noodzakelijk. Aldus het Oecd-rapport.

Wat betreft het behoud van natuurlijke hulpbronnen loopt Japan in sommige opzichten voorop. Hoewel de Japanse grond zeer erosiegevoelig is, is volgens de Oecd evaluatie erosie in Japan nauwelijks een probleem. In het grondgebruik, ook het agrarisch grondgebruik, vormt erosiebestrijding een overheersend aandachtspunt. Daar kunnen ze in Zuid-Limburg nog wat van leren.

Ook op het punt van energiebesparing is Japan de rest van de industrielanden traditioneel vooruit. Zowel per hoofd als per eenheid nationaal produkt heeft Japan daardoor een relatief laag energieverbruik. Vooral de relatief hoge energieprijzen in de periode 1973-1986 hebben tot deze voorsprong geleid.

Het Oecd-rapport constateert echter wel dat ook door de daling van de energieprijzen na 1986 Japan zijn voorsprong dreigt te verliezen. Vooral op onderdelen als de energie-efficiency van auto's, gebouwen en apparaten is het energiebesparingselan eruit. Sinds 1993 wordt geprobeerd daar met wetgeving het een en ander tegen te doen. De Oecd-deskundigen pleiten er echter voor de belastingen op brandstoffen te verhogen.

Een vooruitgeschoven positie neemt Japan voorts in bij de beperking van de uitstoot (emissie) van zwaveloxyden, koolmonoxyde, koolwaterstoffen en stikstofoxyden. De basis daarvoor werd al aan het eind van de jaren zestig gelegd. Toen deed de grap de ronde dat je in Tokio uit een automaat blikjes frisse lucht kon halen.

Gaswassers

Veel van de emissie-reducties zijn te danken aan de installatie van luchtzuiveringsapparatuur, zoals gaswassers en katalysatoren. De investeringen in deze sfeer bereikten een piek in 1975 toen 18 procent van de particuliere investeringen opging aan milieuvoorzieningen. De eisen die in Japan aan de emissie van koolwaterstoffen, koolmonoxyde, zwavel- en stikstofoxyden worden gesteld zijn voor internationale begrippen streng. De eisen aan de uitstoot van deze stoffen door auto's zijn bijvoorbeeld aanzienlijk strenger dan in Californië en zeer veel strenger dan in de Europese Unie. Niettemin is men bezig met een verdere forse aanscherping van de emissie-normen. Met het oog daarop wordt vooral ook gesleuteld aan katalysator technologie voor een arme-mengsel motor. De combinatie van een arme-mengsel motor en een katalysator heeft zowel wat betreft de uitstootreductie van uitlaatgassen als op het punt van energie-efficiency grote mogelijkheden.

Een vierde relatief vooruitstrevend element in het Japanse beleid vormen de regelingen betreffende aansprakelijkheid. Vergeleken met Nederland is het voor slachtoffers van milieubederf in Japan verhoudingsgewijs gemakkelijk om compensatie te krijgen. Indien een Japans bedrijf chemisch afval kwijt wil, dan gaat de verantwoordelijkheid voor wat er met dat afval gebeurt niet geheel over naar de afnemer, maar blijft de producent van het afval mede-aansprakelijk. Meer dan enig ander land ter wereld heeft Japan voorts in zijn anti-vervuilingsbeleid de nadruk gelegd op strenge eisen en het toepassen van de beste beschikbare technieken. De Oecd examiners stellen vast dat de Japanse industrie daarvan alles bijeen sterk heeft geprofiteerd. Ter illustratie wordt erop gewezen dat de produktie van milieu-apparatuur thans 17 procent beloopt van de totale Japanse industriële apparatenproduktie.

En tenslotte doet Japan het verhoudingsgewijs goed wat betreft de verplichte verwerking van afgedankte materialen in nieuwe produkten.

Waterzuivering

Er zijn echter ook onderdelen van de natuur- en milieupolitiek, waarop Japan het opmerkelijk slecht doet. Het natuurbeschermingsbeleid werd al genoemd. Maar ook wat betreft de waterzuivering doet Japan het verbazend slecht. Slechts 47 procent van de Japanners is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De waterkwaliteit in de veelbezongen meren holt achteruit. En in de baaien van Tokio en Ise en de binnenzee van Seto vormt algenbloei een groot probleem. Ook wat betreft bodembescherming, bodemsanering en grondwaterbescherming loopt Japan beduidend achter op bijvoorbeeld de Scandinavische landen, Nederland en Duitsland.

Opmerkelijk is tenslotte dat pogingen om op dit soort punten verbetering door te voeren nauwelijks worden geïnspireerd door de Japanse milieubeweging. Deze is zwak. Het ledental van de Japanse natuur- en milieu-organisaties beloopt naar schatting niet meer dan 10 procent van dat van hun Nederlandse tegenhangers. Zulks op een bevolking van ongeveer 125 miljoen mensen. In feite doen de Japanse vakbonden beduidend meer voor het mileu dan de Japanse natuur - en milieu-organisaties.