Misverstanden over Internet

Internet is in. Het internationale computernetwerk groeit op een uitzinnige manier en er is steeds iets nieuws mee aan de hand: veiligheidskwesties, commercieel gebruik, merkwaardige sociologische verschijnselen, u zegt het maar. Er wordt veel over gepubliceerd en gepraat. Het is snel, goedkoop en democratisch. Je kunt er alles doen en krijgen wat je maar wilt: programma's binnenhalen, post versturen, discussiëren, afspraken maken, zomaar ouwehoeren of alleen rondkijken.

Is Internet inderdaad het nieuwe land van de onbegrensde mogelijkheden? Tijd om een paar misverstanden te signaleren.

Misverstand 1: Internet is goedkoop. Dat ligt er aan. Het is bijzonder goedkoop voor iedereen die er bij zijn werkgever over kan beschikken. Dan merk je van de kosten helemaal niets. Een veel gehoorde bewering is verder dat een elektronisch postbericht naar Japan ongeveer een dubbeltje kost. Dat is net zoiets als bij het autorijden alleen de kosten van de benzine meerekenen. Hoe ligt het voor een particulier die 'op' Internet wil?

Je hebt het volgende nodig: een computer, een telefoon, een communicatieprogramma en een modem om je computersignalen het telefoonnet in te krijgen, en een abonnement bij een instantie die een Internetaansluiting regelt. Laten we coulant zijn en aannemen dat de telefoon en de computer er al staan (hoewel de nieuwste Internet-mogelijkheden programmatuur vereisen die een nogal moderne computer noodzakelijk maakt). Een communicatieprogramma valt te ritselen. Voor een modem kun je 500 gulden uittrekken.

Een Internetabonnement voor particulieren kost 25 gulden per maand (Stichting Hack-Tic, Amsterdam) of 5 gulden per gebruiksuur (Stichting Knoware, Utrecht). En dan zijn er de telefoontikken. De kosten daarvan lopen uiteen van één gulden per uur lokaal 's avonds tot 12 gulden interlokaal overdag.

Nemen we vijf gebruiksuren per maand als rekenvoorbeeld dan hebben we per uur ƒ 3,50 modemkosten (rente en afschrijving over drie jaar), zes gulden telefoon (interlokaal 's avonds) en vijf gulden voor de Internetaansluiting, samen ƒ 14,50 per uur. Binnenlands is een fax meestal goedkoper dan elektronische post. De kosten van het spreekwoordelijke e-mailtje naar Japan zijn ongeveer even hoog als die van een briefkaart per luchtpost (negentig cent), want vier minuten on-line ben je zo.

Bij grote hoeveelheden e-mail dalen de kosten per stuk, maar dan moet je de gewoonte aanleren de post off-line te lezen en alleen voor het transport 'in te loggen'.

Veel 'informatie' is gratis op Internet. In de solidaire wereld van computerliefhebbers is dat nog steeds zo. Maar de hoeveelheid informatie die geld kost, neemt toe. Nieuwsdiensten, elektronische tijdschriften, financiële, juridische en farmaceutische databanken - er moet worden betaald.

Misverstand 2: Internet is er voor iedereen. Zolang er in Nederland mensen zijn die zich geen krant en telefoon kunnen permitteren is deze visie niet moeilijk te weerleggen.

Verder zijn er honderdduizenden Nederlanders die hun TV niet kunnen afstemmen, de weg kwijt raken in Teletekst, hun video niet programmeren en geen camcorder durven hanteren. Van de computer kennen ze één toepassing: die waarmee ze tussen negen en vijf moeten werken. Het inloggen en zoeken op Internet is te moeilijk voor ze.

Misverstand 3: Op Internet vind je nieuws rechtstreeks van de bron. Via e-mail, nieuws- en discussiegroepen kunnen alle gebruikers nieuwtjes en meningen aan elkaar kenbaar maken. Het is leuk je gedachten openbaar te kunnen maken maar het is minder leuk om als lezer te worden geconfronteerd met honderden wezenloze berichten over een onderwerp dat bij een meer gedisciplineerde behandeling interessant zou zijn.

Nieuws 'rechtstreeks van de bron' is een illusie. Langzamerhand wordt op Internet dan ook het wiel opnieuw uitgevonden: bij elektronische tijdschriften staat een redactie garant voor de selectie van interessante en feitelijk juiste stukken.

Misverstand 4: Via Internet is men goed en snel bereikbaar. Zo zou het mogelijk zijn de groten der aarde even een e-mailtje te sturen om ze op hun fouten te wijzen. Zeker kan dat, maar niemand moet denken dat van deze mededelingen kennis genomen wordt. Een brede subtop ontvangt enkele tientallen berichten per dag. Dit probleem wordt door elke getroffene op zijn eigen manier opgelost. De één gooit het leeuwedeel ongelezen in de elektronische prullenbak, de ander laat de post door ondergeschikten behandelen. Weg persoonlijke bereikbaarheid.

E-mail is in seconden te bestemder plekke. Maar dat wil nog niet zeggen dat het altijd snel wordt gelezen of dat je snel antwoord krijgt. Sommige mensen zijn met hun e-mail net zo laks als met papieren brieven; ook komt het voor dat elektronische post niet aankomt.

Voor particulieren is e-mail extra onhandig omdat ze speciaal moeten inloggen bij hun net-organisatie. Ze moeten moeite doen om bij hun brievenbus te komen, voor het posten van brieven zowel als voor het in ontvangst nemen van de binnengekomen post. Dat doe je niet vaker dan één keer per dag - en je kunt er zeker niet vanuit gaan dat een geadresseerde dat wel doet. Overigens zijn de telefoonnummers van goedkope internetclubs vaak langdurig bezet, zodat je niet een kunt inloggen.

Misverstand 5: Het is leuk om zomaar van Internet gebruik te maken. 'Datareizen', 'rondhangen', 'cyberspace verkennen', 'browsing', het is inderdaad leuk voor degene die het doet. Minder leuk kan het zijn voor mensen die serieuze toepassingen in gedachten hebben en daarvan afhankelijk zijn. Tot nu toe is er geen sprake van systematische filevorming op het Net, maar dat wil niet zeggen dat het niet zou kunnen. Er worden Megabytes verslonden alsof het er niet toe doet: het oeverloze gekwek in de discussiegroepen, de spellen die over het Net gespeeld worden en de merkwaardige gewoonte om in elektronische antwoorden te citeren uit eerdere correspondentie.

Maar deze verschijnselen verbleken bij de recente opkomst van het World Wide Web, een toepassing die gebruikers in staat stelt om met een klik van de muis door grote hoeveelheden informatie te bladeren, waarbij elke pagina van een andere uithoek van de wereld afkomstig kan zijn. Heel wat mensen bestrijden zo hun verveling. Door de grafische aard van de informatie (er kan zelfs bewegend beeld bij zitten) en het gemak waarmee men van de ene bladzij naar de andere kan springen is dit een extreem data-intensieve activiteit.

De Stichting NLnet in Amsterdam, die het Nederlandse deel van Internet beheert, heeft het aantal aansluitingen in de tien jaar vóór 1994 jaarlijks met 40 procent zien groeien. Maar het dataverkeer verdubbelde daarbij elk half jaar! En alsof dat nog niet genoeg was, is de omvang van het verkeer in het eerste half jaar van 1994 vervijfvoudigd. Geen enkele infrastructuur is op den duur tegen dergelijke groeicijfers bestand.

Internet geeft geen garantie dat verstuurde informatie binnen een bepaalde tijd aankomt. Op drukke momenten is het net merkbaar trager. Internet heeft op het ogenblik geen autoriteiten die wat dan ook kunnen garanderen. Of er een oranisatiestructuur groeit die paal en perk stelt aan het smijten met Megabytes, of de videotoepassingen zullen sneuvelen, of dat er andere oplossingen zullen worden gevonden is op het ogenblik niet te voorspellen. Aangeslotenen bij het Nederlandse NLnet betalen overigens al een tarief 'per bit'.

Misverstand 6: Het is heel dom als je je niet op Internet laat aansluiten. De sterke punten van Internet zijn: communicatie en informatie, gekoppeld aan snelheid. Van die voordelen profiteer je alleen optimaal als je een aansluiting hebt op het werk. Dat optimale profijt is alleen noodzakelijk als je bijzondere behoeften hebt, meestal beroepshalve. In het normale maatschappelijk leven is de snelheid nergens voor nodig en zijn de traditionele media krant, bibliotheek, telefoon en post ruimschoots toereikend. Internet is voor privépersonen net zoiets als de televisie: niet nodig, wel lollig.