Marginale natuur, maar wel veel

In Nederland bevindt zich ruim 10.000 kilometer oever. Die is in de afgelopen jaren door harde beschoeiing in een onneembare vesting veranderd. Het roer is nu om. De natuur in de marge wordt weer 'zacht'.

Natuurvriendelijke oevers. Rapport 168, CUR, Gouda, 1994. ISBN 90 376 00417

Gobiblokken en Espro slootplaten, Ecozuilen en Grastegelmatten, Geotextiel en de Terrament oeverzwaluwen-wand 'in natuurlijk roodbruin portlandleisteencement' - het zijn maar een paar produkten die in de ecomarkt aan de man worden gebracht. De belangstelling voor natuurvriendelijke oevers is sterk toegenomen.

Jarenlang stond oeverbeheer in het teken van uniformering en efficiëntie. Kanaalkanten werden voor dieren en planten tot een onneembare vesting gemaakt. Met een harde beschoeiing werden oevers die pittoresk dreigden te beschadigen, weer in het gareel gebracht. En menige boerensloot verloor zijn oeverzone aan landbouwgrond, en kreeg er, diep uitgebaggerd, een steile wand voor in de plaats.

Maar vanaf het midden van de jaren tachtig kregen de ecologische functie en landschappelijke waarde van oevers weer aandacht. Een natuurlijke oeverzone is meestal buitengewoon soortenrijk. Men kreeg oog voor de 'corridor'-functie van oevers: voor vele dieren vormen zij verbindingsstroken tussen verspreid liggende natuurlijke gebieden. Daarnaast bleek dat natuurlijke oevervegetaties vaak een bijdrage leveren aan de zuivering van oppervlaktewater. Kortom, het ecologische belang van een goede oever is onmiskenbaar.

Deze zomer werd een lijvig handboek ten doop gehouden: 'Natuurvriendelijke oevers' van het Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR) en het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat. Voor zes verschillende watertypen bevat het richtlijnen: kleine wateren (waaronder ook stadswater), rivieren, kanalen, zoete meren, zout en brakke meren, en getijdewateren. Voor ieder type wordt het referentie-beeld geschetst: dat van de 'ideale', volledig natuurlijke oever.

Nederland herbergt zo'n 10.000 kilometer oever langs de grote wateren, waarvan de helft bij het Rijk in beheer is. Als ook het kleine water in beschouwing genomen wordt, wordt een lengte van 100.000 kilometer ruim gehaald. Bij elkaar kunnen die oeverstroken een natuurgebied opleveren met een oppervlakte van enkele honderden vierkante kilometers - weliswaar letterlijk marginaal, maar van grote betekenis.

Veel van de technieken draaien om het creëren van geleidelijke overgangen in plaats van harde grenzen. Vegetatie speelt daarbij een grote rol. Door verschillende constructies en materialen kan die de helpende hand worden toegestoken. Zo kan een oeververdediging, of een krib in een rivier, alleen begroeid raken wanneer in spleten of gaten slib en organisch materiaal kan worden vastgehouden. Geotextiel kan uitkomst bieden bij een te gladde ondergrond of bij sterke golfslag. Het doet dienst als tijdelijke filter voor voedingsstoffen. Totdat de vegetatie de grond zelf vast kan houden.

Voor verschillende watertypen is afschuinen van steile oevers en het creëren van een brede, begroeide natte zone de ideale aanpak. Als die zone breed genoeg is, biedt hij voldoende bescherming. Maar eventueel kan de hulp van riet, biezen en wilgen ingeroepen worden - dat zijn effectieve oeverbeschermers.

Een 'harde' oeverbescherming blijft soms onmisbaar wanneer er sprake is van intensief vaarverkeer of gebrek aan ruimte voor een brede oeverstrook. Een plasberm kan dan uitkomst bieden. Bij deze constructie wordt voor de eigenlijke oever een verdediging aangebracht van gestorte steen of een damwand. Daarachter bevindt zich een natte strook bij voorkeur voorzien van een flauw oplopend talud. Planten en dieren kunnen van zo'n strook gebruik maken. Voorwaarde is dat de verdedigingswand af en toe onderbroken is, zodat wateruitwisseling mogelijk blijft en te water geraakte dieren de barrière kunnen nemen.

Als er geen ruimte is voor een natuurlijke oever moeten er in ieder geval uitklimplaatsen gecreëerd voor dieren die het water willen oversteken. Ook jongen van watervogels, in een kanaal of gracht beland, komen er vaak niet meer uit. Als oplossing wordt voorgesteld het monteren van loopplankjes. Maar dit kan alleen in wateren zonder scheepvaart of grote golfbelasting, zodat geen beschadiging van de uitstapplaats zal plaatsvinden. Daar moet een ingenieur die wat tijd over heeft, toch wat op kunnen vinden, zou je denken.

Fauna-verbindingen in de lengterichting van de oever blijken in Nederland zeer belangrijk. Bij bruggen en andere 'kunstwerken' (de waterstaatkundige term) komt het nogal eens voor dat de oever niet doorloopt maar abrupt eindigt. Veel dieren, zoals marterachtigen, zullen niet zwemmend maar lopend die hindernis proberen te nemen. Daarbij komen ze vaak op een autoweg terecht. Daarvoor zijn twee basisoplossingen: looprichels onder bruggen(ook handig voor schaatsers), en boven de hoogste waterstand gelegen horizontale duikers door het talud van de barrière.

Een van de boodschappen aan de waterschappen is dat de natuurwaarde van sloten omhoog schiet wanneer water-en oeverplanten vrij spel krijgen. Voor heel wat kleine wateren, waar de doorstroming niet optimaal hoeft te zijn, kan het onderhoud en stuk minder intensief. Om verlanding te voorkomen volstaat het eenmaal in de tien jaar te 'schonen'.

Het was tot voor kort gebruikelijk om afkalvende oevers te herstellen met een beschoeiing van tropisch hardhout. Nu wordt druk gezocht naar alternatieven. Ingenieur T.E.J. van Zeijts van de Landinrichtingsdienst houdt intensief bezig met de natuurvriendelijke aanpak van het kleine water. Van Zeijts: 'Bij projecten in Noord-Groningen en op de Zuidhollandse eilanden hebben we bij het verruimen van waterlopen de oevers flauwer gemaakt, en riet aangeplant. Binnen twee jaar heeft dat zich ontwikkeld tot een volledige bescherming. In die tussenliggende periode ontbreekt die - dat betekent dat je bij storm wel wat beschadiging krijgt. Maar een ecoloog zegt dan: 'Leuk, een beetje micro-reliëf'. Maar als het te gek wordt kun je het met een beetje grondwerk veel herstellen. Vaak is dat veel goedkoper dan van voor naar achter een preventieve voor-oeververdediging te maken - dan weet je zeker dat je je geld kwijt bent.'

Deze alternatieve aanpak springt er wat de kosten betreft goed uit. Van Zeijts: 'Grondaankopen en grondwerk nemen toe - het kost meer ruimte, en meer grondverzet. Maar een beschoeiing heb je niet nodig. De aanlegkosten zijn per saldo dus ongeveer gelijk.'

Ook de onderhoudskosten vallen waarschijnlijk lager uit, maar daarover houdt Van Zeijts een slag om de arm. 'Daar weten we nog niet alles van. Maar een belangrijk aspect is dat je geen vervangingskosten hebt. Riet onderhoudt zichzelf, maar een beschoeiing is na vijftien, twintig jaar afgeschreven.'