'Kalveren' bij opening Nederlands Film Festival

UTRECHT, 22 SEPT. Tijdens de Nederlandse Filmdagen in Utrecht lag de afgelopen dertien jaar altijd meer de nadruk op het praten over film en aanverwante terreinen dan op het vertonen van en kijken naar het resultaat van de filmnijverheid.

Natuurlijk werden er wel altijd heel veel films (en sinds kort ook televisieprogramma's) gedraaid in de zalen en zaaltjes - vooral tijdens de premières bomvol met familie en relaties van de makers - maar bovenal waren de door Jos Stelling opgerichte Filmdagen toch een ontmoetingsplek voor mensen uit en rond de branche, die nieuwe vrienden maakten, oude vijanden koesterden, zich lieten interviewen of zelf vragen stelden, plannen ontvouwden en balletjes opwierpen.

Met de omdoping van de Filmdagen tot Nederlands Film Festival zal dat karakter niet wezenlijk veranderen, ook al worden er voor het eerst zelfs in de verte niet aan Nederland gerelateerde buitenlandse films vertoond. In de sectie Best of the Fests zijn de winnaars te zien van soortgelijke competities om de Zweedse, Portugese of Turkse Gouden Kalveren. De ambities van de Filmdagen om een festival te worden hebben meer te maken met behoefte aan profilering ten opzichte van de collega's in Rotterdam en van het Amsterdamse documentairefestival (IDFA) dan met een reëel perspectief. Daarom is de nieuwe naam Nederlands Film Festival in zekere zin misleidend.

Neem nu de openingsavond, gisteren in het Utrechtse Jaarbeurscongrescentrum. Natuurlijk was dat een mooie gelegenheid om Theu Boermans' regiedebuut 1000 Rosen in première te laten gaan, een week voor de uitbreng, bij welke gelegenheid we uitgebreid zullen vertellen hoe toneelmakers - in dit geval Boermans' troupe van De Trust - dit jaar een nieuwe kwaliteitsimpuls gaven aan de Nederlandse speelfilm. Theo van Goghs bewerking van het door Johan Doesburg geregisseerde stuk 06, die door het Nederlands Filmfestival minder geschikt geacht werd voor de sponsors op de openingsavond, is een ander voorbeeld, evenals Gerardjan Rijnders' Oude Tongen. Drie acteurs van De Trust, onder wie Boermans zelf, die in 1000 Rosen buiten beeld bleven, mochten in de korte voorfilm Het verlorene zal ik zoeken helpen bewijzen dat ook Paula van der Oest, Boermans' partner en regie-assistente bij 1000 Rosen, de op het platteland smeulende passies, vernietigingsdrang, treurigheid en geslachtsdrift voortreffelijk in film weet te vertalen.

Wellicht belangrijker voor de discussiefunctie van het festival is de toekenning op de eerste avond van een aantal prijzen. Zoals indertijd minister Brinkman de uitreiking van een Gouden Kalf aan Joris Ivens aangreep om de filmer officiëel te rehabiliteren, zo mocht nu Stevijn van Heusden, directeur Kunsten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de Cultuurprijs, een door het Festivalbestuur toegekend Gouden Kalf, overhandigen aan dr. Jan de Vaal, vanaf de oprichting in 1952 ruim dertig jaar directeur van het Nederlands Filmmuseum. Ook dat was een soort rehabilitatie, omdat De Vaal indertijd op aandrang van de minister van WVC plaats moest maken voor een nieuwe en ambitieuze leiding. Het zou de aanleiding kunnen gaan vormen voor een publieke evaluatie van wat er in het pand aan het Vondelpark de afgelopen jaren nu precies is veranderd.

Minder pikant en met groot applaus begroet was de uitreiking van een ander Gouden Kalf, de Speciale Bestuursprijs, aan Cor Koppies, de Amsterdamse bioscoopeigenaar en filmdistributeur, die deze zomer na bijna veertig jaar zijn in kunstzinnige films gespecialiseerde bedrijf verkocht en stil ging leven.

Kritische noten kraakte Matthijs van Heijningen, niet alleen de producent van 1000 Rosen, maar ook de voorzitter van de jury van de zogenaamde Grolschprijs voor 'aanstormend jong filmtalent'. Hij noemde de nieuwe documentaire oogst van dit jaar 'braaf' en betreurde de onderschatting van het belang van acteerprestaties in de (korte) speelfilms. In ieder geval zal de Grolschprijs dit jaar voor het eerst toegekend gaan worden aan een regisseuse. Genomineerd zijn de eindexamenkandidaten van de Nederlandse Film- en Televisieacademie Dana Nechushtan (Djinn) en Simone van Dusseldorp (Waterlanders) en de in Enschede afgestudeerde animator Irene Beerten (Saturday Night Fever).

De Filmprijs van de Stad Utrecht werd uitgereikt aan regisseuse Dree Andrea voor haar documentaire over Newyorkse daklozen De tunnel, die de NOS-televisie in januari uitzond. Het zou niet terecht zijn de film daarom als een televisieproduktie te betitelen. Langzaam dringt ook in Utrecht het besef door dat het onderscheid nauwelijks meer te maken valt.

Festivaldirecteur Jacques van Heijningen bepleitte zelfs onlangs in een interview dat het Nederlandse Fonds voor de Film en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties maar beter konden gaan fuseren. Nog twee jaar geleden viel precies het omgekeerde geluid te beluisteren uit dezelfde mond.

Meer dan 's mans grilligheid bewijst deze radicale koerswijziging dat de Nederlandse filmwereld in rap tempo besloten heeft minder hoog van de toren te blazen. Er is bijna geen filmregisseur meer te vinden die nog zijn neus ophaalt voor televisiewerk, waar immers ook het geld te halen valt. De stelling van Jan Rutger Achterberg, eindredacteur drama van de VARA, op de voorpagina van de eerste festivaldagkrant, dat de bijdrage van de televisiemakers aan dit festival aanzienlijk boeiender en interessanter is dan het filmprogramma, verdient in de loop van de week nauwgezette toetsing.