Joop Wilhemus en Lolita

In zijn column 'Requiem voor een vieze man' schrijft H.M. van den Brink onder meer dat Joop Wilhelmus in zijn blaadjes intellectueel getinte verhandelingen afdrukte. “Hij schreef ze zelf, of liet deskundigen zoals... PvdA-senator Brongersma aan het woord.” Deze bewering wekt een volkomen onjuiste indruk.

Als verdediger van een cliënt in een strafzaak voor de Hoge Raad, 18 mei 1976, beriep ik mij op het standpunt, ooit in een andere strafzaak voorgedragen door de Amsterdamse officier van justitie mr. J.J. Abspoel: een seksuele handeling, uiting van liefde, genegenheid, tederheid, en als zodanig door de betrokken persoon ervaren, kan nooit 'ontucht' worden genoemd.

Omgewerkt tot een artikel verscheen mijn pleidooi in het vakblad Delikt en Delinkwent (januari 1978) en later (januari 1980) in Engelse vertaling in The British Journal of Criminology. In 1981 vestigde iemand mijn aandacht op het feit dat de Engelse versie van het artikel van A tot Z was overgenomen in nummer 47 van Lolita. Ik heb meteen schriftelijk bij de Lolita-redactie geprotesteerd tegen deze schending van mijn auteursrecht, zonder mijn toestemming of voorkennis gepleegd. Mijn brief bleef onbeantwoord.

Tot medewerking aan deze bladen was ik wegens principiële bezwaren in geen enkele vorm bereid. Daarom treft het mij pijnlijk dat het artikel van de heer Van den Brink een andere indruk wekt.