Indonesië maakt ernst met duurzame bosbouw

Indonesië, met het op een na grootste regenwoud ter wereld, maakt ernst met 'duurzaam bosbeheer'. De Indonesische minister van Bosbouw, Djamaloedin Soerjohadikoesoemo, verscherpt de controle op de houtkap. Concessiehouders die zich niet aan de regels houden, worden gedwongen 49 procent van hun aandelen af te staan aan de staat die dan 'van binnenuit toezicht kan uitoefenen'.

De minister en de magnaat poseerden onlangs breed lachend voor de fotografen alsof ze zojuist een transactie tot wederzijds genoegen hadden afgesloten. In werkelijkheid had de Indonesische minister van bosbouw, Djamaloedin Soerjohadikoesoemo, de man die hij zo hartelijk de hand drukte, houtkoning Prajogo Pangestu, zojuist een gevoelige tik op de vingers gegeven. Op 7 september liet de bewindsman weten dat de concessies van twee van Prajogo's houtkapbedrijven alleen worden verlengd als 49 procent van de aandelen wordt overgedragen aan een staatsonderneming. De reden: 'roekeloos kappen en een gebrekkige bedrijfsvoering'.

Een staaltje politieke moed want Prajogo Pangestu is niet de eerste de beste. Deze zoon van een Chinese rubbertapper uit Kalimantan is president-directeur en meerderheidsaandeelhouder van PT Barito Pacific Timber (BPT), de grootste multiplexproducent ter wereld en, sinds een grote aandelenemissie vorig najaar, tevens het grootste fonds genoteerd aan de effectenbeurs van Jakarta. Prajogo beschikt over invloedrijke connecties: zo ging hij de afgelopen jaren zakelijk in zee met een zoon en een dochter van president Soeharto.

BPT betrekt het hout voor zijn fabrieken van 38 concessies verspreid over Indonesië met een totale oppervlakte van 3,8 miljoen hectare. De meeste bevinden zich op Kalimantan, het Indonesische deel van het eiland Borneo. BPT bezit zelf een aantal kapbedrijven, toch haalt het concern het meeste hout van concessies die geen band hebben met BPT maar waarin Prajogo persoonlijk een meerderheidsbelang heeft. Dat geldt ook voor de PT Aya Timber en de PT Yayang Indonesia, twee concessiehouders die tesamen beschikken over kaprechten voor 121.500 hectare in de provincie Zuid-Kalimantan. De concessies liepen deze zomer af en minister Djamaloedin weigerde ze te verlengen als zijn departement geen beslissende vinger in de pap kreeg. Naar verluidt verlopen dit jaar nog acht van Prajogo's concessies en zullen ook die onder regeringscuratele worden gesteld wegens overtreding van de geldende kapregels.

Dat minister Djamaloedin een tycoon als Prajogo de voet durft dwars te zetten, is een aanwijzing temeer dat het deze bewindsman ernst is als hij rept van 'duurzaam bosbeheer'. Hij had de portefeuille van bosbouw in maart 1993 nog niet overgenomen of hij bestookte de machtige hout-branche met de ene maatregel na de andere.

Uitgangspunt van de minister is het principebesluit van de International Tropical Timber Organization (ITTO), het forum van tropisch hout producerende landen, tijdens zijn bijeenkomst op Bali in 1990, dat met ingang van het jaar 2000 alleen nog tropisch hout op de wereldmarkt mag worden verkocht dat is voorzien van een zogenaamd 'eco-label', een waarmerk dat het afkomstig is uit 'duurzaam beheerd' bos. In 1991 formuleerde een team van ITTO-experts algemene richtlijnen die sindsdien gelden als internationale maatstaf voor duurzaam beheer van tropisch bos. De ITTO-definitie bevat de volgende elementen: continuïteit van de houtproduktie, behoud van de biodiversiteit in produktiebos, behoud van de functionele stabiliteit van het ecosysteem en participatie van de plaatselijke bevolking.

Haalt Indonesië de limiet 2000? Na deze eerste vraag in een interview met NRC Handelsblad knippert minister Djamaloedin niet eens met de ogen: “Het moet. Anders verliezen we de markt en zonder afzetmarkt voor ons tropische hout heeft het bos geen economische waarde en wordt het op den duur omgezet in palmolieplantages. Dan verliezen we alles. Daarom moeten we die limiet halen, zowel door handhaving van de wet als door overtuiging van de concessiehouders. Het is immers in hun eigen belang dat zij de toegang tot de markten van de ontwikkelde landen niet verliezen”.

Djamaloedin is boswachter op superschaal. De Indonesische archipel herbergt het op een na grootste tropische regenwoud ter wereld; de grootste oppervlakten bos bevinden zich op Borneo, Sumatra en Irian Jaya. De minister is echter niet alleen natuurbeheerder, maar ook opzichter van een van 's lands meest winstgevende bedrijfstakken. Zijn ministerie verleent aan particuliere en staatsbedrijven voor twintig jaar kaprechten in concessies van 20.000 tot 2 miljoen hectare. In totaal 580 concessiehouders haalden vorig jaar 33 miljoen kubieke meter hout uit het Indonesische regenwoud. 's Lands houtindustrie is goed voor vier miljard dollar aan exportinkomsten per jaar en een half miljoen Indonesiërs vindt werk in deze branche.

In 1980 besloot de regering de export van ruw hout te verbieden. Op dat moment konden de multiplexfabrieken van Indonesië, ondanks de nabijheid van rijke hulpbronnen, niet concurreren met die van Taiwan, Korea en Japan. Dankzij het verbod neemt de Indonesische multiplexindustrie nu zeventig procent van de wereldproduktie voor zijn rekening. Alle houtfabrikanten zijn, naar gelang het produkt dat zij vervaardigen, aangesloten bij kartelachtige bedrijfstaksorganisaties die samen de Indonesische Houtgemeenschap vormen, onder voorzitterschap van de ethnisch-Chinese zakenman Bob Hasan, de houtkoning van Indonesië en tevens vriend van president Soeharto.

De Indonesische hout-branche staat van verschillende kanten onder kritiek. De Wereldbank concludeerde onlangs in zijn rapport Indonesia; Sustaining Development dat er liefst 50 procent meer bomen worden omgelegd dan het zelfherstellend vermogen van het bos en heraanplant kunnen goedmaken. Het laatste decennium zijn, aldus de bank, jaarlijks 1,1 miljoen hectare Indonesisch regenwoud verloren gegaan als gevolg van houtwinning, bosbranden en kaalkap voor landbouwdoeleinden en transmigratieprojekten. Teloorgang van tropische regenwoud is overigens bijna altijd het gevolg van menselijke tussenkomst. Concessiehouders leggen een netwerk van wegen en bulldozer-sporen aan, waarlangs spontane migranten, die hun akkers plegen plat te branden, het bos intrekken.

Tot voor kort ging men er van uit dat in Indonesië nog 143 miljoen hectare regenwoud resteerden, maar in april hielp Djamaloedin de wereld uit de droom. De 30 miljoen hectare die in de Bosbouwstatistieken stonden aangemerkt als 'conversiebos', wouden die in aanmerking komen voor alternatieve bestemmingen, bleken volgens recent satellietonderzoek allang omgezet in akkers, plantages en klappertuinen. Van nu af aan houdt Bosbouw het resterende regenwoud dan ook op 113 miljoen hectare.

Anders dan zijn voorgangers ten departemente betrekt ir. Djamaloedin Soerjohadikoesoemo niet meteen een patriottische egelstelling als hij wordt geconfronteerd met kritiek of suggesties uit het buitenland. De minister: “Ons denken is niet louter gebaseerd op het soevereiniteitsbeginsel, op het recht om ons regenwoud te exploiteren zoals het ons goeddunkt. We zijn van mening dat het woud niet alleen deze generatie ten goede dient te komen en dat we voor de toekomst een offer moeten brengen. Daarom reageert Indonesië positief op de activiteiten van internationale organisaties die aansturen op duurzaam bosbeheer”.

Djamaloedin (59) protesteert nadrukkelijk tegen de kwalificatie 'politicus': “Ik ben een technocraat”. Deze telg uit een Javaanse adellijke familie studeerde bosbouw aan de gerenommeeerde Gajah Mada Universiteit in Yogyakarta, waar hij in 1961 de ingenieurstitel behaalde. Hij begon zijn loopbaan bij het staatsbedrijf Perhutani, dat de in 1957 genationaliseerde teak- en mahonieplantages op Java beheert. Van 1981 tot 1983 was hij directeur produktietoezicht bij het departement van landbouw. In 1983, toen een afzonderlijk ministerie van bosbouw in het leven werd geroepen, klom Djamaloedin op tot president-directeur van het staatsbosbedrijf PT Inhutani II, dat opereert in 'buitengewesten' als Zuid-Kalimantan en Irian Jaya. Daar maakte hij naam als een slagvaardige manager die liet zien dat niet het aantal gekapte kubieke meters doorslaggevend is voor de winstgevendheid van een bosbouwonderneming, maar vooral de bedrijfsefficiëntie. Zijn sterkste staaltje was een houtconcessie op het eiland Pulau Laut, voor de zuidkust van Kalimantan, dat hij uit de rode cijfers haalde door de produktie te halveren. In 1988 werd Djamaloedin bevorderd tot directeur-generaal op het ministerie en vorig jaar maakte hij de stap van topambtenaar naar minister.

'Duurzaam bosbeheer' mag dan het gezamenlijke doel zijn dat houtproducerende en -importerende landen alsook de internationale milieubeweging nastreven, de consensus vergruizelt als het gaat om de invulling van dit begrip. In West-Europa, zeker in Nederland, bestaat de tendens om 'duurzaam beheer' uitsluitend te interpreteren als produktie in houtplantages ter ontlasting van het primaire bos, dat op den duur ongemoeid moet worden gelaten. In Indonesië wordt daar anders over gedacht. Djamaloedin voert allereerst bosbouwtechnische bezwaren aan: “Ontwikkelde landen in de gematigde zone werken inmiddels op grote schaal met houtplantages die zijn aangelegd in kaalgeslagen bos. Vanwege ons klimaat, regenval en de erosiegevoeligheid van de bodem is kaalslag, ook voor dit doel, een riskante optie, want binnen twee jaar is de bodem weggespoeld. Kaalslag in produktiebos is bij ons verboden. Wij verstaan onder duurzaam beheer selectieve kap in het natuurbos, zowel wat soorten als wat diameters betreft, en verplichte heraanplant van gekapte bomen. Een dergelijk regime is veel lastiger te beheren en te controleren dan plantage-verbouw, maar voorlopig is het de enige weg. Op vlak terrein met stabiele bodems zijn plantages wel degelijk een oplossing ter ontlasting van het natuurbos”.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat indien plantagegewijze verbouw de internationale norm zou worden voor verlening van een eco-label, verreweg het meeste tropische hout uit Indonesië daarvan verstoken zou blijven, uitgezonderd het teak- en mahoniehout uit de Javaanse plantages en het waaibomenhout dat de laatste jaren is aangeplant in Zuid-Sumatra als grondstof voor de snel groeiende pulp- en papierindustrie. De Indonesische multiplexindustrie daarentegen, de grootste afnemer van hardhout, verwerkt hoofdzakelijk meranti's, de traag groeiende reuzen van het regenwoud, die zo'n driekwart van het exporthout uit Zuid-Oost Azië vormen.

Sinds enkele jaren zijn Indonesische concessiehouders verplicht tot heraanplant van gekapte meranti's. Dat stuitte behalve op weerzin, ook op praktische problemen. Meranti's hebben de gewoonte met een hele populatie tegelijk te bloeien, eenmaal in de drie tot vijf jaar, terwijl het zaad maar twee weken goed blijft. Het probleem van de winning en vermeerdering van meranti-teeltgoed is de laatste jaren opgelost door het proefstation Wana Riset Samboja in Oost-Kalimantan, een samenwerkingsproject van Bosbouw en de Nederlandse Stichting Tropenbos. Daar zijn inmiddels cursussen ontwikkeld die concessiehouders leren hoe ze hun jaarlijkse kapvergunning kunnen behouden door zelf meranti-kwekerijen aan te leggen. Wana Riset heeft zich toegelegd op de selectie en vermeerdering van snelgroeiende soorten. Volgens projectleider ir. Willie Smits is men erin geslaagd materiaal te selecteren dat binnen dertig jaar geschikt is om te 'oogsten'. Meranti's in het bos hebben doorgaans tachtig jaar nodig om tot volle wasdom te komen. In Oost-Kalimantan zijn inmiddels al 100.000 hectare beplant met zaailingen van Wana Riset. Hoewel deze ontwikkeling uitzicht biedt op de aanleg van meranti-plantages, waar snel en langzaam groeiende soorten naast elkaar worden geplant, blijft duurzaam bosbeheer voor Indonesië voorlopig nog een kwestie van selectief kappen en heraanplant in natuurbos.

Het Indonesische regime, dat onder Djamaloedin vorig jaar is aangescherpt met een nieuw decreet op verantwoord concessiebeheer, lijdt aan drie zwakheden: ontoereikende kennis bij de concessiehouders, gebrekkig toezicht en corruptie binnen het apparaat van Bosbouw. De normen voor verantwoord concessiebeheer veronderstellen niet geringe bosbouwkundige kennis, zowel bij het management als bij de cruisers te velde, die de bomen moeten selecteren. Volgens experts beschikt slechts 25 procent van de 580 concessiehouders over voldoende kennis voor een verantwoorde exploitatie.

Daar komt bij dat het voor bosbouw fysiek onmogelijk is om in de vele miljoenen hectare grote concessies effectief toezicht te houden op de gehanteerde kappraktijken. En vooral in het veld zijn de doorgaans laag betaalde inspecteurs gevoelig voor zwijggeld. Djamaloedin erkent deze problemen volmondig: “Ons belangrijkste probleem is de controle op de concessiehouders. Daarom heb ik de uitgifte van het in de toekomst vereiste eco-label, het waarmerk van duurzaam geproduceerd hout, dit jaar toevertrouwd aan een particuliere instelling, die is samengesteld uit onafhankelijke deskundigen en vertegenwoordigers van niet-gouvernementele (milieu-) organisaties: het Indonesische Instituut voor Eco-labelling”. Voorzitter is prof. Emil Salim, voormalig minister van milieu, die in binnen- en buitenland een goede naam heeft. Salim's instituut is door de minister gemachtigd om de hulp in te roepen van buitenlandse consultants. Zo heeft het Zwitserse bedrijf SGS Silviconsult al een proef gedaan met een methode om hout dat de fabriek binnenkomt te herleiden naar de kapplaats. Reconstructie van dat traject is een technische voorwaarde voor eco-labeling.

Djamaloedin ziet nog een andere uitweg uit het controle-dilemma: “Omdat ik geen supervisie kan uitoefenen over alle concessiehouders, ga ik het toezicht verleggen naar de bedrijven zelf. De meeste concessiehouders zijn geen bosbouwingenieurs, maar kooplieden of ex-militairen. Zij zijn doorgaans alleen geïnteresseerd in snel rendement. Welnu, concessiehouders die zich niet aan de regels houden, moeten 49 procent van hun aandelen afstaan aan Bosbouw, hetgeen mij machtigt om vanuit mijn departement een professionele, goed betaalde bosbouwer aan te stellen, niet als technisch adviseur - die hebben toch niets te vertellen - maar als commissaris of desnoods als president-directeur. Op die manier is de eigenaar nog slechts meerderheidsaandeelhouder en kunnen we managements-plannen opstellen en effectief toezicht houden van binnenuit”.