Extra cellen geen Haagse vondst

Het publieke debat over criminaliteit en straf is erg gevoelig voor ongenuanceerde, vaak emotionele uitlatingen, schreef Ineke Haen Marshall in W&O van 8 september. De sociale wetenschap kan het niveau van een redelijke discussie over die onderwerpen verhogen “door populaire argumenten kritisch te evalueren, op logische denkfouten te wijzen, door feiten systematisch te verzamelen en analyseren.”

Mevrouw Haen Marshall gaf een uitermate kritische evaluatie van het justitiële beleid in Nederland dat al jaren behoorlijk stevig is gericht op uitbreiding van de cellencapaciteit van het gevangeniswezen. Daarmee zou Nederland zich op een heilloze weg hebben begeven, die tot niets leidt en ook erg on-Nederlands is. Nederland staat of stond immers bekend om zijn traditie van humaniteit en sociale bewogenheid. Dat er meer cellen zijn gekomen wordt in haar opvatting vooral bepaald door beleidsveranderingen, en niet door ontwikkelingen in de criminaliteit.

Op dit onderdeel is haar verhaal onvolledig en eenzijdig. Is het nu echt zo dat de extra cellen die in Nederland zijn gebouwd voortvloeien uit een verharding van het strafrecht? Neemt Den Haag bij elke kik over problemen in de strafrechtsketen automatisch de troffel ter hand om specie aan te maken voor de bouw van weer een aantal cellen? Nee, dat is niet zo, zo willen wij betogen. Met feiten.

De stelling dat de “toename in de gevangenisbevolking niet wordt bepaald door ontwikkelingen in de criminaliteit, maar voornamelijk is te wijten aan beleidsveranderingen m.b.t. zekere groepen criminelen en de zwaarte van de straffen” klopt niet. Ter adstructie van die stelling wees Ineke Haen Marshall erop dat in de VS tussen 1980 en 1992 het aantal mensen achter tralies met 160% toenam, terwijl de statistieken over de ernstige criminaliteit een veel minder dramatische stijging te zien gaven. Oké, dat zal best zo zijn, maar het artikel ging toch over Nederland ?

Hoe staat het met deze zaken in Nederland? Het gegeven dat de geregistreerde geweldscriminaliteit in Nederland tussen 1980 en 1993 met 132% is gestegem (Geregistreerde geweldsdelicten: 1980 25.500, 1993 61.500 = +132%) ontbrak in haar beschouwing. We hebben het dan over de misdrijven tegen het leven, verkrachting, mishandeling, diefstal met geweld en dood cq lichamelijk letsel door schuld. Dat feit had niet mogen ontbreken, want het is voor een belangrijk deel ook de toename van deze delicten die ten grondslag ligt aan de uitbreiding van het gevangeniswezen in Nederland.

Het absolute aantal gevangenisstraffen in 1980 verschilt nauwelijks van dat in 1990 (resp. 15369 en 15182), terwijl de rechterlijke macht in 1990 vooral bij de ernstiger zaken heel wat méér schuldigverklaringen heeft uitgesproken dan in 1980. Het ging daarbij resp. om de volgende toename: bij zedendelicten 250 schuldigverklaringen méér, bij levensdelicten 250, bij bedreiging 400, bij de Opiumwet 800, bij diefstal met geweld 1000, bij gekwalificeerde diefstal ook 1000 en bij verduistering en bedrog bijna 2000 schuldigverklaringen méér. Het zal duidelijk zijn dat ook als er in 1990 in dezelfde soort gevallen een gevangenisstraf zou zijn opgelegd als in 1980 en deze gevangenisstraf even lang was geweest als in 1980, de gevolgen hiervan voor het gevangeniswezen enorm waren geweest.

Dat er per saldo in totaal evenveel gevangenisstraffen werden opgelegd komt omdat het aantal gevangenisstraffen wegens rijden onder invloed met meer dan 2000 afnam. Het feit dat meer ernstige delicten met gevangenisstraf werden bestraft maakt dat de gemiddelde tijd die mensen in detentie moesten doorbrengen in die 10 jaar bijna verdubbelde (de gemiddelde detentietijd steeg van 90 dagen naar 150 dagen).

Spreekt hieruit een verharding van het strafrecht? Daartoe moet niet te snel worden geconcludeerd. De samenstelling van de veroordeeldengroep is immers in niet onbelangrijke mate gewijzigd. Belangrijk is dat er meer delicten worden gepleegd waarvoor in het algemeen zwaardere straffen worden gegeven, ook vroeger al. Dat feit verklaart de langere detentieduur méér dan de omstandigheid dat voor bepaalde delicten nu hogere straffen worden gegeven dan vroeger.

De duur van de gevangenisstraffen vanwege rijden onder invloed verschilt thans nauwelijks van die uit 1980. De duur van de gevangenisstraffen opgelegd vanwege hard-drugs-Opiumwetzaken is nu (1993, eerste aanlegzaken) gemiddeld 1 maand langer dan in 1980. De duur van de gevangenisstraffen opgelegd vanwege moord of doodslag is gemiddeld 16 maanden hoger dan die in 1980. Verkrachting wordt gemiddeld met 13 maanden gevangenisstraf méér bestraft dan in 1980. Diefstal met geweld leidt gemiddeld tot 8 maanden meer. Spreekt dan hieruit een verharding van het strafrecht? Of komt in die hogere strafmaat tot uiting dat niet het strafrecht, maar de plegers van juist deze delicten zijn verhard? Of is het een combinatie van beide? Het antwoord op die vragen is niet gemakkelijk te geven.

Het moge duidelijk zijn dat met wat wij hierboven beschreven factoren zijn gegeven die de traditioneel geringe omvang van het gevangeniswezen in Nederland radicaal hebben veranderd, en ons ook met het verschijnsel van de 'heenzendingen wegens plaatsgebrek' hebben doen kennis maken. Heenzenden is elke officier van justitie een gruwel. Een magistraat met tuindersachtergrond zei dat het hem deed denken aan zijn vader, een kweker, die zijn tomaten moest laten doordraaien. Een haast tegennatuurlijke bezigheid, die de essentie van je beroep ondergraaft. Hoe realistisch is het om heenzendingen te willen voorkomen door kortere vrijheidsstraffen op te leggen of niet-vrijheidsstraffen? Tegen het opleggen van hoge(re) vrijheidsstraffen valt veel in te brengen. De gevangenisstraf is in wezen een verlegenheidsoplossing. Ineke Haen Marshall noemt met verve de bezwaren die kleven aan de toepassing ervan. Ze vermeldt niet dat de rechterlijke macht, door in bepaalde gevallen harder te straffen, tegemoet komt aan een breed levende afkeuring van het milde Nederlandse strafklimaat. Men kan van die afkeuring denken wat men wil, zij bestaat ontegenzeggelijk. En de publikaties van het Sociaal Cultureel Planbureau wijzen vooralsnog niet op een kentering. Een forse verlaging van het strafpeil zou door het publiek vermoedelijk niet erg gewaardeerd worden. En als men het goed vindt dat een bankroof niet meer met één jaar bestraft wordt, maar dat er vijf jaren worden opgelegd, moet men bereid zijn de extra celjaren te bekostigen.

Hiermee is niet gezegd dat de straffen dus verder omhoog moeten, of niet omlaag kunnen. In de VS is te zien dat hoe hoog ook gestraft wordt, er altijd een grote groep mensen is die het nog te laag vindt. Dit leidt daar tot een zinloze spiraal. Gelukkig bestaat er in Nederland draagvlak om met name in minder ernstige gevallen mensen taakstraffen te laten ondergaan, of geldboetes te laten betalen.

Gevestigde belangen in het gevangeniswezen, die het steeds moeilijker maken om met celuitbreiding te stoppen, zijn vooralsnog volstrekt denkbeeldig. Hoewel voorstelbaar is, dat bijvoorbeeld personeelsbonden zich zouden verzetten tegen sluiting van inrichtingen, is dat nu helemaal niet aan de orde. Integendeel, het geldgebrek waar justitie (net als ieder departement) mee kampt, dwingt voortdurend om naar alternatieven voor de dure gevangenisstraf te zoeken. Dat lukt, met name in de sfeer van kleinere criminaliteit, ook goed. Zoals Ineke Haen Marshall ook schrijft, is de groei van alternatieve straffen spectaculair geweest. Van enkele honderden gevallen in het begin van de jaren tachtig tot 11.000 in 1993. Als dat niet gebeurd was, was het celtekort nu nog vele malen groter.

We moeten ook niet vergeten dat het ministerie de stijging van de zware straffen maar zeer beperkt kan beïnvloeden. De groei van de zwaardere criminaliteit stoppen is een opgave, waar niet alleen de Nederlandse overheid zich het hoofd over breekt.

Het mag haar dan ook niet euvel geduid worden, dat die groei vooralsnog niet tot staan is gebracht.

En de hoogte van de straf wordt niet door het ministerie bepaald, maar door de onafhankelijke rechter. Beleidsvoornemens van het departement zoals het wetsvoorstel om veroordeelden die zich goed gedragen onder bepaalde voorwaarden eerder de gevangenis te laten verlaten worden in eerste instantie binnen de politiek met forse kritiek begroet. “De straffen zijn al zo laag” en “wat de rechter heeft opgelegd mag niet door de minister worden veranderd” lieten parlementaire woordvoerders weten. Het maakt duidelijk dat zij in ieder geval weinig voelen voor departementaal gesleutel aan de strafmaat. Zoals we boven al schreven, staat die rechter met zijn strafoplegging ook niet los van de wereld. Juist de fors gegroeide zwaardere criminaliteit genereert die zware straffen.