Een Michelingids voor het basisonderwijs

'Wie de kwaliteit van scholen wil meten moet spitsroeden lopen', zegt Kees van der Wolf, hoofddocent pedagogische wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en oprichter van de Stichting Seneca. Deze stichting heeft onlangs van het nieuwaangetreden Amsterdamse gemeentebestuur de opdracht gekregen om het basisonderwijs in de hoofdstad op zijn kwaliteit te onderzoeken en de resultaten in een soort Michelingids vast te leggen.

Het idee om een handzame gids samen te stellen waarin de beste scholen van Amsterdam met één, twee of drie sterren zouden worden beschreven bestond al langer, maar dreigde ten onder te gaan in hoogoplopende emoties en politieke tegenstand. Vooral van PvdA-zijde werd gevreesd dat sommige openbare scholen er slecht af zouden kunnen komen en dat zo het bijzonder onderwijs in de kaart werd gespeeld.

'Een angst die niet geheel onterecht is', moet onderzoeker Van der Wolf toegeven. 'Maar dan moeten ze hun verantwoordelijkheid nemen en het openbaar onderwijs verbeteren.' Aan ouders wordt de meest essentiële informatie over de kwaliteit van scholen onthouden, meent Van der Wolf. Ze moeten hun keuze noodgedwongen baseren op meningen van andere ouders en als ze de zaak serieus nemen gaan ze een of meer basisscholen af 'om de sfeer te proeven'. Goede schriftelijke informatie over de aanpak van het onderwijs en de behaalde resultaten ontbreekt.

Zijn andere ouders eigenlijk wel de beste informatiebron? Nee, zegt Van der Wolf, en hij verwijst naar de aloude wet van de 'cognitieve dissonantie' die zegt dat wanneer mensen zelf geen invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving ze geneigd zijn om negatieve informatie een positieve draai te geven en er niet teveel gedachten aan vuil te maken. Uit zijn kwaliteitsmetingen onder leerkrachten, leerlingen en ouders komt de laatste categorie steevast als meest tevreden naar voren. Pas als het kind van school is laten ouders ook negatieve geluiden horen. Daarom is het volgens de onderzoeker zo belangrijk dat scholen 'exit-gesprekken' voeren met ouders als hun kind van school gaat. Toen hij dat zelf als bestuurslid van een school ooit voorstelde, kwam hem dat overigens op woedende reacties van het team te staan.

Er rust in Nederland een taboe op de onderlinge vergelijking van scholen. Men is bang voor 'Amerikaanse toestanden' en laat de ouders het liefst in de waan dat de sfeer per school weliswaar kan verschillen, maar dat toch overal naar beste vermogen wordt lesgegeven.

Dat is pertinent niet waar, weet Van der Wolf uit zijn voormetingen. Ook al zijn de verschillen tussen goede en slechte scholen niet zo dramatisch als in de Verenigde Staten, de ene school weet veel meer uit zijn leerlingen te halen dan de andere. En dat geldt met name voor scholen met veel migrantenkinderen. 'Er zijn in Amsterdam zwarte scholen die zo met drie sterren in de gids zouden kunnen worden opgenomen. Ze hebben hoge verwachtingen van hun leerlingen en richten hun energie op basisvaardigheden als taal en rekenen. In de verlengde schooldag wordt aandacht besteed aan creatieve vakken. Maar er zijn ook scholen waar een sfeer hangt van gezellig achterblijven omdat je van deze kinderen nu eenmaal niet teveel kunt verlangen. De schooltijd moet voor hun vooral leuk zijn.'

Daarom, vindt Van der Wolf, is het niet verstandig om al te veel nadruk te leggen op het percentage migrantenkinderen. 'Je moet zwarte scholen niet alleen met elkaar vergelijken, maar gewoon afrekenen op het landelijk gemiddelde. Er zijn scholen die dat halen en die zijn een goed voorbeeld voor anderen.'

Kees van der Wolf werkte een van oorsprong Amerikaans programma voor kwaliteitsmeting om voor het Nederlandse onderwijs. Op grond van gegevens van leerkrachten, directie, leerlingen en ouders wordt eeen analyse van de school gemaakt die iets zegt over de omgeving van de school, het soort leerlingen dat er staat ingeschreven, het onderwijsproces, de tevredenheid, het klimaat en niet te vergeten, het rendement. Het programma is voorts in staat om knelpunten op te sporen en suggesties te doen voor verbetering. Ook kunnen er simulaties worden uitgevoerd om te kijken welke verbetering het beste resultaat oplevert. Een belangrijk kenmerk van het programma is dat de prestaties van de leerlingen in de analyse betrokken worden en in verband gebracht kunnen worden met een groot aantal variabelen. De uitkomst wordt afgezet tegen een landelijk gemiddelde, maar kan eveneens worden vergeleken met scores van vergelijkbare scholen.

De voorbereidingen voor de Amsterdamse kwaliteitsmeting zijn inmiddels - behoedzaam - in gang gezet. De scholengids zal echter op z'n vroegst in 1996 verschijnen. Om koudwatervrees bij de scholen weg te nemen - niemand kan verplicht worden mee te doen - zullen de resultaten van de eerste twee metingen niet openbaar gemaakt worden. Scholen krijgen zo de gelegenheid om zich aan elkaar te spiegelen en eventuele zwakke punten aan te pakken.

Ondanks deze voorzorgen is de animo om mee te doen niet overdonderend. Aan de eerste doorlichting doen 47 van de 200 Amsterdamse basisscholen mee. 'Dat valt wat tegen', moet de onderzoeker bekennen, maar hij is er vast van overtuigd dat hun aantal de komende jaren zal groeien. Het meeste verzet komt van de elitescholen en de hele slechte scholen, is zijn stellige indruk. 'Elitescholen vinden het een schandelijk initiatief. Zij zijn immers gebaat bij non-informatie want zij hebben heel wat te verliezen. De slechte scholen houden zich muisstil.'

De Holendrechtschool in Amsterdam Zuidoost behoort tot de 47 scholen die meedoen aan de eerste kwaliteitsmeting. Directeur Wim van Vliet vindt het doorlichten van zijn school op sterke en zwakke kanten een uitstekende zaak, maar met die gids gaat het wat hem betreft teveel de 'Amerikaanse kant' op. 'Ik durf me best te verantwoorden maar ik zie al dat ik straks aan ouders moet gaan uitleggen waarom ik niet in dat boekje sta.'

Van Vliet is bang dat scholen tegen elkaar uitgespeeld zullen worden op gronden die niet terecht zijn. 'Wij hebben hier in de buurt weinig mogelijkheden om kinderen door te sturen naar het speciaal onderwijs. Als je één zo'n kind in de klas hebt kunnen je resultaten als een baksteen naar beneden kelderen.' Ouders hebben voldoende zicht op scholen om een goede keuze tge maken, vindt de directeur. 'Het gaat er uiteindelijk om wat ze bij de slager horen van andere ouders.'