Die lustige Witwe moet zonder oubolligheid breder, jeugdiger publiek trekken; Hoofdstadoperette:kleurige soberheid

Voorstelling: Franz Lehár, Die lustige Witwe door de Hoofdstad Operette o.l.v. Walter Althammer m.m.v. Germaine Compier, Bert Simhoffer, Jacco van Renesse, Jeannine Geerts, Ton Hofman, Dick Schaar e.a. Regie: Elmar Fulda; choreografie: Matyas Jurkovics; decor: Jan van Hemert; kostuums: Viola Lindenau. Gezien: 20/9, Stadsschouwburg Amsterdam. Aldaar 22/9, daarna tournee met wisselende bezetting.

De Hoofdstadoperette is vorig jaar een nieuwe weg ingeslagen om een breder en jeugdiger publiek te trekken. Traditionele voorstellingen moesten wijken voor hedendaagse regie- en decoropvattingen, het aantal produkties per seizoen werd uitgebreid. De verandering werd ingezet met een moderne versie van de Franse operette La Vie Parisienne en met minder bekend werk als Der Vetter aus Dingsda van Eduard Künneke. Beide stukken staan ook dit seizoen op het repertoire waaraan nu Die lustige Witwe van Franz Lehár is toegevoegd - een klassieker uit 1905 in de Weense traditie met beroemde nummers als 'Da geh' ich zu Maxim', het 'Vilja-lied' en 'Lippen schweigen'.

Voor de regie is de jonge Duitse operaregisseur Elmar Fulda aangetrokken. Hij heeft er een charmante, professionele voorstelling van gemaakt, vol koldereske momenten, maar zonder de oubolligheid en de bonbondoos-sfeer die het genre vaak kenmerkt. Hij heeft er niet krampachtig naar gestreefd de handeling naar de tegenwoordige tijd te verplaatsen. Kostumering en inrichting passen in de tijd rond de eeuwwisseling waarin Lehár het stuk plaatste. Diens meeslepende muziek staat in deze voorstelling voorop.

Het decor is sober gehouden. Het feest in de tweede akte speelt zich niet af tussen kroonluchters, maar op een simpel plankier van rondtrekkende komedianten, en echtelijke ontrouw voltrekt zich in een gammele woonwagen. Kleur speelt een belangrijke rol. Kleurveranderingen in kostuums en belichting, soms subtiel, soms in felle contrasten, zorgen dat er ook voor het oog steeds iets te genieten valt. De Parijse nachtclub Maxim's is vrijwel alleen aangegeven door hoge, vaalrode gordijnen aan de wanden die op het hoogtepunt, de wervelende can-can, in een bloedrood licht baden.

Het verhaal van de rijke weduwe en haar vele aanbidders kwam tijdens de premiere in de Amsterdamse Stadsschouwburg even wat moeizaam op gang, maar kreeg gaandeweg meer vaart. De hele uitvoering is in het Duits, ook de vele dialogen. Omdat het verhaal nogal gecompliceerd is, zou een 'ondertiteling' niet misplaatst zijn.

De zangers leverden over het algemeen respectabele zang- en acteerprestaties. De meesten werden nogal eens overstemd door het onder leiding van de Duitse dirigent Walter Althammer verder goed spelende orkest, dat was uitgebreid met zes werkervaringsplaatsen. Alleen Bert Simhoffer, die ook als acteur excelleerde in de rol van de flierefluitende graaf Danilo Danilowitsch, kwam er met zijn volle, donker getimbreerde stem moeiteloos en verstaanbaar overheen. Met het dunnere geluid van Germaine Compier als de rijke weduwe lukte dat niet altijd. Haar stem kwam vooral tot zijn recht als het orkest pianissimo speelde, zoals bij het mooi gezongen Vilja-lied, waarvoor zij terecht met een ovatie werd beloond.