De eenzaamheid van de politiek

Lang was de kabinetsformatie, lang is ook de kennismaking met het nieuwe kabinet. Eerst het regeerakkoord, toen drie weken geleden de regeringsverklaring en nu deze week de Miljoenennota. Drie keer dezelfde boodschap alleen in een steeds wisselende enscenering. Het is de fractievoorzitters in de Tweede Kamer nauwelijks kwalijk te nemen dat zij er gisteren tijdens de eerste dag van de algemene beschouwingen een oersaaie vertoning van maakten. Iedereen is letterlijk uitgepraat.

Wat gezegd moest worden is al eens gezegd, maar bovenal is er weinig te zeggen. Over de richting van het te voeren beleid is vrijwel iedereen het eens. Het verschil tussen de drie regeringspartijen en het CDA als grootste regeringspartij bedraagt ongeveer 250 miljoen gulden, zo bleek gisteren. Op een begroting van bijna 200 miljard zijn dat niet eens meer marges. Tekenend voor de stand van zaken in het politieke debat is het grootste verwijt dat de ene politicus de ander kan maken: namelijk of hij wel een alternatieve dekking heeft als een bepaald voorstel wordt afgewezen.

Al vaker is geconstateerd dat met de coalitie van PvdA, VVD en D66 in wezen het nationale kabinet is aangetreden. Het midden regeert, maar kan er nog wel worden geregeerd? Want is de sociaal-liberale samenwerking niet vooral een uiting van verminderde pretenties van de politiek? Wie minder ambities heeft, wordt het sneller eens. Het gevolg is een kabinet dat functioneert als een afspiegelingscollege in een gemeente. Die kunnen worden gevormd omdat op lokaal niveau geen 'partijpolitieke kwesties' spelen, is altijd de verklaring.

Hetzelfde geldt nu voor het landelijke niveau. Partijen zijn geconfronteerd met een gemeenschappelijk probleem: de onmacht. Dat heeft even ontnuchterend als solidariserend gewerkt. Vandaar dat de vroegere politieke tegenstanders het eens konden worden. Maar de onmacht is gebleven en blijkt uit de plannen van het nieuwe kabinet voor de komende vier jaar. Een ombuigingsprogramma van niet minder dan achttien miljard gulden leidt tot een slechts minieme daling van de werkloosheid. De Raad van State signaleerde deze week in zijn commentaar op de Miljoenennota dat de resultaten van het beleid in geen verhouding staan tot de inspanningen. Maar tegelijkertijd weet ook dit eerbiedwaardige college geen alternatief te presenteren.

Voor beroepspolitici die gewend zijn in concepties te denken is het even wennen, maar steeds duidelijker wordt dat dè oplossing niet bestaat. Regeren is bijsturen, niet oplossen. Het zal geen toeval zijn dat het de van buiten het Haagse Binnenhof afkomstige nieuwe minister van justitie, W. Sorgdrager, was die in een toelichting op haar begroting pleitte voor nuchterheid. Bij de criminaliteitsbestrijding wilde zij niet praten in termen van 'het toebrengen van de beslissende slag'. Ze kon slechts proberen de ontwikkelingen te beheersen, zei ze.

Het is een uitermate realistische benadering, maar het is de vraag of een politicus met een dergelijk realisme in verkiezingstijd lang staande blijft. Toch is dit de afweging waar alle politieke partijen momenteel voor staan. Hoe moet de politiek omgaan met een verminderd ambitieniveau? PvdA-fractievoorzitter Wallage had het gisteren in zijn bijdrage tijdens de algemene beschouwingen over een samenleving die in een aantal opzichten “de weg een beetje kwijt is” en daarom graag “democratisch leiderschap” zou willen zien. Maar is het niet veeleer zo dat de politici de weg een beetje kwijt zijn? De samenleving kent de weg vaak heel goed, alleen loopt deze niet meer via Den Haag.

Voor de politiek zal een ordenende rol weggelegd blijven maar op een veel bescheidener schaal. Het individualiserings- en emancipatieproces heeft geresulteerd in mensen die zich minder laten leiden. Waar het kan zullen burgers hun problemen zelf oplossen. Dat wil overigens niet zeggen dat het steeds gaat om afwegingen van plat eigenbelang. De calculerende burger is weliswaar een gegeven, maar er zijn daarnaast genoeg voorbeelden van het probleemoplossend vermogen van direct betrokkenen. Decentralisatie, convenanten, verzelfstandiging; het zijn allemaal uitwerkingen van het credo 'we lossen het zelf wel op'.

Voor traditionele politieke partijen is het moeilijk op die ontwikkeling te anticiperen. Een liberale partij als de VVD zit hier ongetwijfeld in de gemakkelijkste positie. “Het domein van de burger dient te worden vergroot en dat van de verzorgingsstaat te worden verkleind”, zei VVD-fractievoorzitter Bolkestein gisteren. Maar hoe ver moet die laissez-faire politiek gaan? Dezelfde Bolkestein toonde zich twee jaar geleden een fel tegenstander van de kreet 'gewoon je zelf zijn' waarmee de VVD zich eerder had geafficheerd. Op een gegeven moment zullen burgers toch op hun verantwoordelijkheid moeten worden aangesproken.

Vijf 'denkers' uit de Partij van de Arbeid maakten eerder deze week in een artikel in deze krant duidelijk ondanks de machtsverschuiving nog wel degelijk een rol te zien voor politieke partijen. Wat partijen aan formele sturingspretenties noodgedwongen prijsgeven, kunnen ze herwinnen door de formulering van concurrerende visies op de toekomst van de samenleving, meenden zij. Na hun grondige analyse van hoe de invloed van de politiek is afgenomen, lijkt het een beetje op het laatste overlevingsplan van de ondernemingsraad van een ten dode opgeschreven bedrijf. Mensen en instituties die zich hebben afgewend van de Haagse regelgeving om zaken op hun eigen niveau te regelen hebben nu juist geen behoefte aan visies op de toekomst van de samenleving. Hebben zij behoefte aan know-how dan zullen ze die bij ter zake deskundigen halen.

Voor politieke partijen resteert straks nog het sterk ingekrompen publieke domein. Visies blijven dan gewenst, maar op een beperkt terrein. Het zal politici eenzamer maken, maar niet overbodig.