Bosbouw Suriname naar Maleisische groep

DEN HAAG, 22 SEPT. Suriname heeft een overeenkomst gesloten met de Maleisische bosbouwgroep Berjaya over de exploitatie van tropisch woud in het binnenland. Het basis-contract wordt waarschijnlijk deze week ter goedkeuring voorgelegd aan het parlement.

Onderhandelingen met twee andere belangstellenden - de Indonesische MUSA-groep en het bedrijf Suri-Atlantic - zijn nog niet afgerond omdat de Surinaamse overheid vooralsnog onvoldoende inzicht heeft in de economische en financiële soliditeit van deze ondernemingen. Voor beide ondernemingen heeft de overheid wel een model-contract opgesteld, dat door MUSA echter nog niet is geparafeerd.

Dat heeft de Surinaamse bosbouwdeskundige ir. I. Krolis gisteren in Den Haag bekendgemaakt. Krolis maakt deel uit van de commissie die namens de Surinaamse regering met de drie buitenlandse conglomeraten onderhandelt. De bedrijven willen elk een houtconcessie van een miljoen hectare, een zesde van het totale areaal aan voor produktie geschikt Surinaams bos. Met de houtconcessies is voor Suriname een investering gemoeid van ongeveer honderd miljoen dollar per stuk.

Milieugroepen hebben gewaarschuwd voor een ecologische ramp in Suriname door ongebreidelde houtkap, maar volgens Krolis voorzien de basiscontracten in voldoende bescherming van het milieu. Hij meent dat MUSA niet moet worden beoordeeld op haar verleden. “Als je het milieu-beleid van Shell bekijkt van twintig jaar geleden zou je toch ook geen glas water van ze aannemen?” Van uitverkoop van het bos - waar GroenLinks eerder deze maand in een rapport voor waarschuwde - is volgens hem geen sprake.

Bedongen is volgens de onderhandelaar onder meer dat een onafhankelijke commissie van deskundigen een milieu-effectenstudie gaat verrichten naar de bosbouw, op kosten van de betrokken ondernemingen. Aan het kappen is een aantal voorwaarden verbonden: de diversiteit aan plantages moet gehandhaafd blijven, het kappen moet 'economisch efficiënt' en 'duurzaam' gebeuren. Dat laatste houdt in dat wordt uitgegaan van volledige herbebossing na een kapcyclus van 25 jaar. Aan het einde van zo'n cyclus moet de oorspronkelijke hoeveelheid bomen er weer staan.

Berjaya zal voorlopig geen onverwerkt hout uitvoeren. MUSA en Suri-Atlantic willen wel direct rondhout exporteren, in het model-contract voor MUSA is sprake van export van 400.000 tot 500.000 kubieke meter hout in het eerste jaar. In vijf jaar moet dat zijn teruggebracht tot 100.000 kubieke meter. De Surinaamse overheid eist wel dat het bedrijf per gekapte kubieke meter tien dollar stort in een waarborgfonds, dat aan de overheid vervalt wanneer de afspraken over herbebossing niet worden nagekomen.

Aan MUSA is vorig jaar een voorlopige concessie verleend van 150.000 hectare, het maximum dat kan worden toegekend zonder toestemming van het Surinaamse parlement. De Indonesische groep had zich volgens Krolis in Suriname een contract voorgesteld zoals dat van de Baramas-groep in het naburige Guyana. Dat bedrijf is door de Guyanese overheid voor vijf jaar ontslagen van belastingplicht en kan het zo goed als zijn gang gaan in het bos. Aan MUSA worden echter dezelfde voorwaarden gesteld als aan Berjaya.

Hetzelfde geldt voor Suri-Atlantic, dat is gevestigd op de Britse Maagden-eilanden, een bekend toevluchtsoord voor belastingontduiking en witwassen van zwart geld. Krolis: “Dat is nog geen reden tot paniek. Wel hebben we reden om wat alerter te zijn. Daarom doen we ook dit onderzoek. We nemen geen genoegen met façades die zijn opgetrokken.”

De drie bedrijven betalen volgens de model-contracten veertig procent winstbelasting - vijf procent minder dan gebruikelijk - en tien procent dividend-belasting in plaats van vijfentwintig. Verder moet behalve exportbelasting vijf dollar 'produkt-belasting' worden betaald voor elke kubieke meter gekapt rondhout.