Alleen de feiten kunnen de normen redden

Moet een moraal wortelen in religie of niet? Herman Philipse vindt van niet (NRC Handelsblad, 8 september) en oogstte een Opiniepagina vol reacties (16 september). Vandaag heeft hij het laatste woord.

Heeft de democratie een geweten? Wie moet waken over onze publieke moraal? Niet de kerken, betoogde ik op 8 september, maar de politici. Waar het gaat om handhaving van recht en publieke moraal, kan de politiek zich niet verschuilen achter de zuilen van het 'maatschappelijke middenveld'. Ze zal zelf de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Kenmerkend voor een moderne democratie zijn het onderscheid tussen kerk en staat en het onderscheid tussen publieke moraal en privé-moraal. Uit democratisch oogpunt bezien horen godsdiensten tot het privédomein. Dit is inherent aan het beginsel van religieuze tolerantie, een morele uitvinding die het mogelijk maakt met verschillende confessies vreedzaam te leven in één staat.

Het heeft ook verder geen zin, zo beargumenteerde ik, zich te beroepen op godsdienst ter handhaving van moraal. Men kan morele normen niet rechtvaardigen door een verwijzing naar Gods wil. Want het bestaan van God is niet te bewijzen, er zijn geen goede redenen Hem te gehoorzamen, en een beroep op Zijn wil helpt niets zodra er meningsverschil ontstaat over morele normen.

Op 16 september verscheen een pagina met reacties. De filosoof J.D.J. Buve meent dat men het bestaan van een bovennatuurlijke werkelijkheid niet mag uitsluiten, als “theoretisch gegeven mogelijkheid”. Dat kan zijn, maar het is niet van belang voor mijn betoog. Willen we normen rechtvaardigen door een beroep op het bovennatuurlijke, dan zullen we moeten aantonen dat het bovennatuurlijke werkelijk bestaat. Tot mijn niet geringe vreugde kreeg ik uit onverwachte hoek bijval voor mijn argumenten. Prof. G. Manenschijn, hoogleraar in de ethiek aan de Theologische Universiteit te Kampen, onderschrijft de conclusie dat religie geen geldige rechtvaardiging is voor moraal. Mijn stukje zou bovendien als twee druppels water lijken op een artikel uit 1975 van prof. Kuitert, hoogleraar in de theologie. Dat is verheugend, zoveel eensgezindheid onder professoren. Ik mag dus aannemen dat mijn bovengenoemde stellingen in confesso zijn.

Nadat het religieuze puin is geruimd, moet men het gebouw van de moraal opnieuw construeren op seculiere fundamenten. Wat zijn deze fundamenten. Ik noemde twee inzichten die van belang zijn voor het oplossen van dit architectonische probleem. In de eerste plaats (A) is elke absolute rechtvaardiging van morele waarden op grond van een buiten de empirisch gegeven mens gesitueerde grondslag tot mislukken gedoemd. “Dat is geen punt van verschil, iedereen onderschrijft dat”, annoteert prof. Manenschijn. Ik hoop dat zijn mede-gelovigen het hem niet kwalijk zullen nemen. Ten tweede (B): rechtvaardigen van normen is alleen nodig indien we het oneens zijn over normen. Gelukkig zijn we het over veel normen eens. Zonder deze feitelijke eensgezindheid is een samenleving onmogelijk en heeft de politiek een hopeloze taak.

Ter verklaring van dit feit van eensgezindheid beriep ik me zowel op biologische als op culturele evolutie. Manenschijn verwijt mij hier een “onbegrijpelijk optimisme”. Maar hij begrijpt mij verkeerd en dit komt doordat hij, net als de evolutiefilosofen Bergson en Teilhard de Chardin, de evolutietheorie verkeerd begrijpt. Evolutie is geen doelgericht proces. Evolutie betekent dat soorten ontstaan en vergaan door mutatie en natuurlijke selectie. In zijn verwatenheid ziet de mens zichzelf graag als hoogtepunt van dit proces. Volgens de bioloog is dat een illusie. Het biologische succes van de mens, erin bestaand dat hij talloze andere soorten uitroeit en zich op roekeloze wijze vermenigvuldigt, kan gemakkelijk omslaan in een catastrofe. Overbevolking leidt tot verwoesting van de menselijke biotoop en wellicht tot oorlog om zeldzame grondstoffen. Nederland, op twee na het meest overbevolkte land ter wereld, kan gezien worden als een proefstation van de wereldondergang. Als de mens eenmaal ten onder is gegaan, zullen spinnen en pissebedden overleven. De spin zal triomfantelijk zeggen tot de pissebed: “wij zijn het einddoel van de evolutie.” Ik ben benieuwd of prof. Manenschijn mij na deze woorden nog een optimist zal noemen.

Biologische evolutie is geen doelgericht proces dat aanleiding geeft tot optimisme. Ook beriep ik me niet op evolutie ter rechtvaardiging van de moraal. Dat zou neerkomen op een “naturalistische drogreden”, het afleiden van een norm uit een feit. Ik verwijs louter naar biologische culturele evolutie ter verklaring van het empirische gegeven van relatieve morele eensgezindheid. Primaire morele reflexen zoals afgrijzen bij de aanschouwing van een moordpartij of vertedering bij het zien van een kind zijn mijns inziens te verklaren door de evolutietheorie. De morele speelruimte die deze reflexen ons laten wordt verder ingeperkt door culturele tradities en sociale conditionering. Pas binnen de aldus ingeperkte speelruimte is er plaats voor morele deliberatie, morele keuzen, en argumentatie ter rechtvaardiging van normen.

In mijn artikel van 8 september zei ik niet veel over de wijze waarop rechtvaardiging van normen plaats kan vinden. Deze omissie roept vragen op. Zijn de normen van de westerse liberale democratie voldoende voor zingeving en moraal? Moeten we geen beroep doen op een religieus geïnspireerd geweten, zoals Antoine Bodar op 6 september door een zondvloed van geleerde citaten beargumenteerde? En wellicht nog klemmender, kan men vanuit een atheïstisch perspectief een “doorslaggevend argument” geven voor de overwinning van het onderscheid tussen inside en outside morality, tussen de moraal voor de eigen groep en die voor de buitenstaander, een onderscheid dat onder evolutionaire pressies vrijwel overal tot stand is gekomen? Prof. Manenschijn suggereert van niet en meent dat het christendom hier een oplossing geeft door het gebod van universele naastenliefde. Helaas ziet hij over het hoofd dat hij, door mij de onmogelijkheid van religieuze rechtvaardiging van moraal toe te geven, zichzelf tegenspreekt. Het christendom kan wel normen opstellen maar “doorslaggevende argumenten” voor deze normen kan het ook volgens prof. Manenschijn niet leveren. Mag men van het atheïsme eisen wat men van het christendom niet verlangt? We zullen overigens zien dat het atheïsme op dit punt in een gunstiger positie verkeert dan religie.

Ik zal nu betogen dat de drie zojuist gestelde vragen met 'neen' beantwoord moeten worden. Met betrekking tot de eerste vraag is dit niet moeilijk. De normen van de westerse liberale democratie zijn zeker niet voldoende voor zingeving en moraal. Ze waren hier nooit voor bedoeld en men kan ze dit niet verwijten, zoals vaak uit religieuze hoek wordt gedaan. Men kan een fiets toch niet afwijzen omdat men er niet mee vliegen kan? De publieke normen van recht en moraal in een liberale democratie maken het mogelijk het eigen leven voor een deel in vrijheid in te richten en morele normen tot op zekere hoogte zelf te kiezen. De één zal zich hierbij oriënteren op het christendom. Een tweede zal houvast zoeken bij de islam of het Boeddhisme. En de atheïst zal zijn privé-moraal zien als een geheel van experimentele regels, die bijgesteld kunnen worden indien blijkt dat ze niet leiden tot zijn of andermans geluk. In de privé-sfeer kan men dromen van morele utopieën en idealen. Maar laat niemand denken dat het beter gaat indien een utopie door de staat aan iedereen wordt opgelegd, zoals in de voormalige Sovjet-Unie of in Iran. En laat ook niemand denken dat zingeving per se religieus moet zijn. De Bengaalse schrijfster Nasrin, die onlangs in Zweden gastvrijheid en vrijheid vond, zei op 6 september in deze krant: “Ik droom van een wereld zonder religie, gebaseerd op rede en respect voor menselijke waarden.”

Hoe zit het nu met het geweten? Hebben gelovigen het hier gemakkelijker dan ongelovigen, omdat ze “de beschikkende God kunnen aanvaarden als liefdevolle autoriteit”, zoals Antoine Bodar het zo mooi zegt? Gelovigen hebben het misschien gemakkelijker wanneer ze het geweten zien als een stem Gods. Maar de vraag is: hebben ze ook gelijk? Met betrekking tot het geweten kan men drie sub-vragen onderscheiden. Hoe dit geestelijke orgaan te beschrijven? Hoe het te verklaren? En tenslotte: kan het dienen ter rechtvaardiging van normen? Men beschrijft het geweten vaak als een innerlijke stem, die oproept of verbiedt. Deze stem wordt ervaren als iets van buiten, als iets dat niet onderworpen is aan de eigen wil. Bewijst dit dat de stem van het geweten in werkelijkheid aan God toebehoort? Deze theologische verklaring voor de stem van het geweten doet mij verouderd aan. Vroeger werden bliksem en donder verklaard door Donar of Zeus. Inmiddels weten we beter. Waarom zouden we ook niet wetenschappelijk nadenken over de oorzaken van ons innerlijk? Laten we dus zeggen dat het geweten veroorzaakt is door biologische evolutie en sociale conditionering. Het bestaat uit wat ik hierboven 'morele reflexen' heb genoemd, die onttrokken zijn aan onze vrije wil. Wat het aspect van sociale conditionering betreft heeft Freud een mooie theorie ontwikkeld. Indien het kind gestraft wordt door een opvoeder, wordt zijn agressie jegens de opvoeder gewekt. Uit het deze agressie, dan zal het nog strenger gestraft worden. Het kind zit dus in de val. De enige wijze om zijn agressie te ontladen, is deze te richten tegen zichzelf. Dit doet het kind door zich met de agressor te identificeren en tegen zichzelf dezelfde straffende houding aan te nemen die de volwassene jegens hem aannam. Hierdoor ontstaat het geweten, waarvan de kracht een functie is van de agressie van het kind jegens zichzelf.

Deze Freudiaanse theorie is veruit superieur aan de religieuze verklaring van het geweten. De eerste verklaart allerlei aspecten van dit fenomeen die de laatste in het duister laat. Bij voorbeeld: Waarom is de stem van het geweten vaker verbiedend dan gebiedend? Omdat de agressie van het kind ontstaat door straf van de opvoeders. Waarom zegt de stem van het geweten verschillende dingen tegen verschillende mensen? Omdat hun opvoeding verschillend was. Het geweten is dus zeker niet de stem Gods, alle mooie citaten van Antoine Bodar ten spijt.

Kan een beroep op het geweten tenslotte een morele norm rechtvaardigen? Er zijn hier minder problemen dan bij een beroep op Gods wil, want het is zeker dat er zoiets als een geweten bestaat. Doch er blijven genoeg problemen over. Indien het geweten een reflectie is van de normen van onze opvoeders, die ten gevolge van sociale conditionering in onze persoonlijkheid werden geïncorporeerd kan men zich afvragen of ons geweten zelfs voor onszelf een onaantastbaar gezag moet zijn. Want wie zegt dat onze opvoeders altijd gelijk hadden? Uit mijn vorige artikel zal duidelijk zijn dat een beroep op het geweten bij een moreel meningsverschil niet helpt, evenmin als een beroep op Gods wil. Hier ontstaat immers het sectariërsdilemma: indien Piet en Marie zich ter verdediging van tegengestelde normatieve standpunten beiden op hun geweten beroepen, zijn er twee mogelijkheden. Ofwel het beroep van Piet is evenveel waard als dat van Marie. Dan is het niets waard, omdat de gewetens van Piet en Marie elkaar tegenspreken. Ofwel Piet stelt autoritair en dogmatisch dat zijn geweten meer waard is dan dat van Marie. Maar Marie kan hetzelfde doen en discussie word onmogelijk. Mevrouw H. J. Hoogeboom-Van Buggenum zou nu verzoenend opmerken dat men “uit het conflict naar elkaar kan toegroeien”. Dat is waar, en ik hoop dat het gebeurt bij Piet en Marie. Maar het bewijst niet dat het geweten een rechtsbron is voor moraal. Het is wel een feitelijke bron. Vaak kunnen we niet anders dan volgens ons geweten handelen, omdat we anders ons zelfrespect verliezen.

Ik kom nu bij het derde punt, aangedragen door prof. Manenschijn. Hij stoort zich aan mijn opvatting dat de historisch gegroeide consensus waarop onze sociaal-democratie berust, zou kunnen eroderen door een te grote stroom immigranten die niet uit democratische staten afkomstig zijn. Mijn opvatting is denk ik onmiskenbaar juist. De conditionering van morele attitudes neemt vaak eeuwen in beslag. Volgens Nietzsche is de vroege geschiedenis van deze conditionering bloederig, wreed, en in elk geval hard. Traditionele Nederlandse deugden als eerlijkheid, vlijt, ondernemingslust en solidariteit zijn ontstaan onder pressie van zeer moeilijke omstandigheden: een handelsnatie, nauwelijks voorzien van natuurlijke hulpbronnen, die haar vrijheid moest bevechten op machtige tegenstanders, en haar grondgebied op de zee. Deze normen en attitudes zijn vitaal voor het handhaven van de Nederlandse verzorgingsstaat, terwijl onze democratische en economische instituties, mits ze voortdurend worden onderhouden en verbeterd, de welvaart produceren die de verzorgingsstaat vereist. Dergelijke instituties ontbreken in Rusland en in grote delen van Afrika, Azië en Latijns Amerika. Denkt men nu werkelijk dat onze kwetsbare instituties, en de verzorgingstaat in zijn geheel, kunnen overleven indien er een omvangrijke toestroom komt van mensen die de bijbehorende morele attitudes niet met de paplepel hebben binnengekregen? Natuurlijk ontbreekt het ook autochtone Nederlanders vaak aan morele rectitude. Maar hun behoeft men niets te leren, want ze weten hoe het hoort. Men moet ze bij wetsovertreding en fraude gewoon bestraffen.

In domineesland is nuchter denken over immigratieproblemen taboe, zoals ook Bolkestein heeft ervaren. Prof. Manenschijn beschuldigt mij van “ethisch etnocentrisme”. Wat bedoelt hij hiermee? Dat wij de waarden van een liberale democratie niet mogen verdedigen tegen bij voorbeeld fundamentalistische christenen of moslims? Wat zou hij doen als de Imam een prijs op zijn hoofd zou zetten omdat hij het mohammedaanse geloof beledigt? Zal hij antwoorden dat hij de Imam dan als vijand moet beschouwen maar dat hij, als christen, zijn vijand liefheeft? Zal hij preken dat wij onze cultuur niet tegen de vreemdeling mogen beschermen? Zal hij ook Rushdie aanraden de Imam te beminnen?

Mijn hoofdbezwaar tegen sommige religieuze moralisten is dat ze morele normen verabsoluteren door ze los te maken uit de feitelijke context binnen welke ze vruchtbaar zijn. “Gaat heen en vermenigvuldigt U” is een zinvolle norm voor een woestijnvolk dat met uitsterving wordt bedreigd. Maar het is een misdaad tegen de mensheid dezelfde norm te preken in het laatste decennium van de twintigste eeuw. Iets dergelijks geldt voor abortus. Velen zijn het erover eens dat abortus ongewenst is. Volgt hieruit dat abortus bij de wet verboden moet worden? Niet indien in feite blijkt dat het aantal afdrijvingen daardoor niet vermindert, terwijl de gezondheid van de vrouw meer gevaar loopt door illegale praktijken. Normen gaan terug op morele reflexen en soms op vrije keuzen in concrete feitelijke situaties, keuzen waarvan we hopen dat ze het menselijk geluk dienen. De norm van de tolerantie was een goede oplossing voor religieuze burgeroorlog. Bij het rechtvaardigen van normen moet men dan ook eerst de feiten analyseren. Zonder de lange mars door de feiten is de moralist een gevaar voor zijn land.

Men kan zich voorstellen dat op deze wijze de norm “hebt uw vijand lief” gerechtvaardigd kan worden vanuit een atheïstisch perspectief (dit als antwoord aan prof. Manenschijn). Neem bij voorbeeld aan dat ergens in middeleeuws Italië de vendetta heerst. Alle betrokken families worden hierdoor met de ondergang bedreigd. De norm “hebt uw vijand lief” geeft een oplossing voor deze situatie, mits men ook de anderen tot aanvaarding ervan kan brengen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de oorlog in het voormalige Joegoslavië, die gemakkelijker beëindigd zou kunnen worden indien religieuze tegenstellingen geen rol speelden. En hetzelfde zou kunnen gelden voor de huidige wereld als geheel. Maar misschien ook niet. De norm van universele naastenliefde, indien werkelijk toegepast, zou de mensheid op termijn ook te gronde kunnen richten! Daarom blijft de feitelijke situatie steeds van belang voor het rechtvaardigen van normen. De religieuze moralist wil dit vaak niet zien, want hij neigt ertoe normen te zien als eeuwige geboden Gods. Ik sluit mij aan bij mevrouw Nasrin en droom van de wereld zonder religie. Ook al zou het saai zijn wanneer de droom werkelijkheid werd.