Uiteenlopende documentaires op Nederlands Filmfestival in Utrecht; Keller maakt bezield portret van Joseph Roth

Documentaires Nederlands Film Festival, Utrecht. Voetnoten bij een oeuvre. Regie: Hans Keller. 22, 24, 27/9. 23/9 NOS-televisie, Ned. 3. Joseph Roth's Grosse Welt-Bioskop-Theater. Regie: Hans Keller. 26, 27/9. Lucebert: Tijd & Afscheid. Regie: Johan van der Keuken. 25, 26/9. Goud - Vergeten in Siberië. Regie: Theo Uittenbogaard. 27, 28/9.

Het is, geloof ik, een algemeen aanvaard standpunt dat de laatste films van de documentarist Herman van der Horst (1911-1976) niet tot zijn beste behoren. Dat zou kunnen - het retrospectief dat het Nederlands Film Festival aan zijn werk wijdt, biedt een mooie gelegenheid die opvatting te wegen - maar de argumentatie is vreemd. In Voetnoten bij een oeuvre, een documentaire van Hans Keller waarin hij fragmenten toont van alle twintig films van Van der Horst, verwoordt de Amerikaans-Nederlandse kunsthistoricus Gary Schwartz de bezwaren. In Amsterdam (1964) geeft Van der Horst een romantisch, aan zeventiende-eeuwse schilders ontleend beeld van de hoofdstad. Dat is naïef en onwaar, Schwartz weet zelfs niet of hij Van der Horst die benadering kan 'vergeven'.

Dat moest hij maar wel doen. Wat er verder ook mankeert aan de film, dit verwijt is onzinnig. Van der Horst heeft (overigens geheel in de geest van de tijd van toen) de verbeelding de werkelijkheid laten verdringen - en de ironie wil dat Hans Keller in een andere documentaire van zijn hand die ook tijdens het Nederlands Film Festival in première gaat, bewijst dat die methode lonen kan. Dat zijn aanpak waarschijnlijk is ingegeven door het gebrek aan materiaal over zijn onderwerp, de schrijver Joseph Roth, doet daar niets aan af.

Is Kellers film over Van der Horst duidelijk gelegenheidswerk, in Joseph Roth's Grosse Welt-Bioskop-Theater heeft hij zijn ziel gelegd. Hij begint zoals het hoort: bij Roth's dood, in Parijs, mei 1939. Dan maakt hij een reuzensprong naar 1894, Roth's geboortejaar, om vervolgens de pleisterplaatsen van zijn leven aan te doen, aanvankelijk impressionistisch, met brede omsingelende bewegingen, dan steeds gedetailleerder. Dat is een bekend en beproefd stramien, gewaagder is dat Keller Roth's biografie tegelijkertijd theatraal verbeeldt. Hij wisselt impressies van de grote steden waar de vleesgeworden wandelende jood Roth woonde en werkte af met stillevens, variërend van een omgewoeld hotelkamerbed tot halflege glazen cognac, van een schimmel die de oude, door Roth zozeer betreurde Donaumonarchie verbeeldt tot een grote witte auto in de studio die de nooit ondernomen vlucht naar Amerika symboliseert.

Aanvankelijk irriteert Kellers poëtisering - te gemakkelijk, te duidelijk surrogaat voor het echte, historische beeldmateriaal. Maar niet alleen omdat dat hij daarvan toch een verrassend grote hoeveelheid heeft weten te achterhalen overtuigt hij op den duur. De opzet van zijn film blijkt pas goed aan het slot, nadat hij het verhaal over Roth's leven al heeft afgerond. Hij laat acteurs een Hollywood-scenario van Roth's hand - geschreven op aandringen van Marlène Dietrich - spelen en integreert daarin sommige attributen uit de stillevens. Dan valt alles op zijn plaats: de rusteloosheid van de schrijver, zijn heimwee naar het keizerlijke Pruisen, zijn avonturiersgeest, de verkapte zelfmoord die zijn dood misschien wel geweest is.

Kellers film stemt weemoedig, al was het maar omdat hij zo'n schitterend voorbeeld is van de aloude VPRO-documentaire. Tegelijkertijd verrast hij door bij voorbeeld beelden van Parijse grandeur niet te begeleiden met Wagner, maar met een bijna onbeduidend riedeltje. Op dezelfde manier toont hij een redevoering van Hitler: even maar, zonder het bralgeluid. En de mededeling dat Roth's vrouw in 1940 uit de krankzinnigeninrichting waar zij verblijft 'abtransportiert' wordt naar Mauthausen waar zij sterft, visualiseert hij met nachtelijke beelden van een hedendaagse snelweg, inclusief de schreeuwende neonletters van een benzinestation. Het zijn totaal niet voor de hand liggende illustraties - die echter de kijker serieus nemen, rekening houden met collectieve kennis, en een beklemmender effect sorteren dan de cliché's.

Op het Film Festival gaat ook een documentaire in première van een andere voormalige VPRO-programmamaker, Theo Uittenbogaard. Goud - Vergeten in Siberië, gemaakt voor de EO (!), gaat over Kolyma, Siberië, het grootste goudveld van de voormalige Sovjet-Unie. Het is het onherbergzame gebied waarheen de tsaar en later Stalin op grote schaal burgers verbanden. Het goud uit de titel slaat wat mij betreft niet alleen op de bodemschatten, maar ook op het materiaal dat Uittenbogaard toont. De verhalen van de door hem geïnterviewden zijn hartverscheurend, gruwelijk en doortrokken van zorgvuldig gemaskeerd en daardoor eens zo schrijnend leed.

Cameraman Melle van Essen brengt het landschap en zijn onvrijwillige bewoners adembenemend mooi in beeld, hij maakt de onmenselijke koude als het ware voelbaar. Uittenbogaard gooit zelf, om onbegrijpelijke redenen, roet tussen het goud. Zijn commentaar, en meer nog de toon ervan, is infantiel en volkomen misplaatst ironisch - het is even ongelukkig als de veel te melancholieke Schubert-muziek waarmee Uittenbogaard zijn ironie weer teniet doet. Jammer - het zijn twee stoorzenders in een overigens voortreffelijke film.

Integraal onder de maat is Johan van der Keukens hommage aan de dit jaar overleden dichter en beeldend kunstenaar Lucebert. Het is een voor tweederde oud portret, aangevuld met opnamen van het atelier na de dood van de kunstenaar. Van der Keuken laat zich inspireren door het Cobra-karakter van de schilderijen - en dat heeft de aanstellerigste gevolgen. Niet Luceberts werk doet er toe, maar Van der Keukens wilde camerabewegingen. Hij rent in op schilderijen, monteert in flitsend tempo drie keer hetzelfde beeld van het bed in het atelier aan elkaar, zwenkt en zwaait - en overtuigt geen seconde. In zijn ijver te bewijzen dat hijzelf ook heus kunst maakt, toont hij alleen maar dat hij een onverbeterlijke ijdeltuit is.