STAN toont stuiptrekkende kale Russische adel

Voorstelling: De laatsten van Maxim Gorki door Toneelgroep STAN. Bewerkers en spelers: Frank Vercruyssen, Damiaan de Schrijver, Jolente de Keersmaeker, Mieke Verdin, Inge Büscher e.a. Gezien: Haarlem, Toneelschuur. Aldaar ook vanavond te zien. Daarna o.a. in Amsterdam, Brakke Grond 5 t/m 8 okt.

Hij werd beschoten, de provinciale politiecommissaris op het Russische platteland aan het begin van deze eeuw. Iedereen weet waarom: hij is een corrupte sadist, zo eentje die er niet voor terugschrikt van kleinigheden verdachte kinderen in elkaar te slaan. Maar niemand weet door wie, dus is hij zo vrij een dader aan te wijzen. Een revolutionair, natuurlijk. Alles is de schuld van de revolutionairen, dus waarom dit niet? En wie aandringt op de waarheid krijgt te horen dat die toch niets met de realiteit te maken heeft.

Over die politiecommissaris en zijn kinderrijke gezin schreef Maxim Gorki (1868-1936) zijn stuk De laatsten. Het dateert van 1908 en meer dan een voorbode van de Oktoberrevolutie in 1917 is het een bericht over de nasleep van de mislukte revolutie in 1905. Er komt, afgezien van de onzichtbare, verzenuwde revolutionair in de cel, nauwelijks een gewoon mens in voor, het omschrijft de sissende stuiptrekkingen van de kale adel.

Precies die stuiptrekkingen werkt de Antwerpse toneelgroep STAN verder uit met haar interpretatie van De laatsten. Het begint stroef. De acteurs hangen in afgeragde leren fauteuils en stamelen of raffelen of roeien in razende vaart door hun tekst. Een kwart verstaan we niet en nog een kwart gaat verloren doordat we nauwelijks aanwijzingen krijgen wie er eigenlijk aan het woord is. Dat gaat beter als men zich heeft losgewurmd uit die stoelen en de personages een houding geeft. Er wordt gelopen en de scènes worden gespeeld tussen die fauteuils. Maar geheimen bestaan er niet, want de anderen houden zich op de achtergrond op, bij de drank. Aandachtig luisterend en klaar om te reageren of in te grijpen.

We onderscheiden een moeder met vijf volwassen kinderen, die het air van de heersende klasse dragen, maar samen worden neergezet als een asociaal gezin in een plaggenhut. Moeder is moe en bovendien houdt ze van haar zwager en hij van haar. Haar kinderen zijn boosaardig of apathisch en egocentrisch, afgezien van de bittere Ljoeba, die iedereen op de zenuwen werkt omdat ze zegt waar het op staat. Zij is de jongste, kreupel omdat haar vader haar als baby liet vallen. Of gooide hij haar op de grond omdat hij ook wel weet dat ze niet zijn dochter is maar zijn nicht?

En dan vouwt eindelijk het lange lijf van acteur Frank Vercruyssen zich los van het leer. Hij is Ivan, de man die alles bewijst met de woorden “Ik ben aristocraat”. Ook al is Ivan nu zijn baan kwijt, het feit dat hij beschoten werd, is het beste wat hem kon overkomen. Altijd de kankeraar, kan hij nu onveranderlijk zijn gelijk halen. Eindelijk heeft hij een afdoend excuus voor zijn constante verongelijktheid en niemand zal hem ooit nog zijn alcholisme, zijn hoeren, zijn snoeren kunnen verwijten. Zijn lange witte handen met de stramme spinnevingers onderstrepen de razende woordenstroom, die Vercruyssen woord voor woord helder weet over te dragen. Zijn gezicht houdt hij hypocriet op slot en van de domme. Lacht hij dan is dat boosaardig of, in een schitterend ogenblik met zijn oudste dochter, in blijde herkenning van zijn eigen wangedrag in zijn nageslacht. In Vercruyssen ontdekken we waarom het zaallicht eigenlijk aanblijft tijdens de voorstelling, want zijn Ivan betrekt ons meermalen in zijn walgelijke redenaties, met een ronde, ineens onmiskenbaar hedendaagse, blik van 'niet dan?' rechtstreeks op ons afgevuurd. Wij zien hem, hij ziet ons. En wij, lafbekken, wij weten dat hij onvergeeflijk over de schreef gaat, maar we weerspreken hem net zo min als we de taxichauffeur van katoen geven wanneer die de taal van de centrumdemocraten uitslaat.

Staat Vercruyssen te oreren dan is De laatsten geweldig. Vooral uit zijn spel, en dat van Jolente de Keersmaker als de bittere Ljoeba, valt op te maken waar het voortjagen van dit stuk goed voor is. De laatsten is een chaotisch ding met een overdaad aan dramatische momenten die samen een innerlijk tegenstrijdige kluwen melodrama worden, als je niet uitkijkt. Door de dialogen erdoor te jassen, en de handeling achteloos te maken wordt het stuk aan de overdaad voorbij getrokken. Een sterfscène wordt gereduceerd tot een bons op de grond en de woorden “hij is dood” klinken niet geschrokken maar in het voorbijgaan constaterend. Voor het ophouden van de schijn krijgen de personages geen ruimte, dat verdraagt het stuk niet, het geeft al veel te veel te verstouwen.

De keerzijde van deze aanpak ligt in het onvermogen van sommige acteurs. De kleinere, voor de handeling doorslaggevende, karakters die het moeten doen met een dubbelrol komen er bekaaid af, eenvoudig omdat wie hen spelen adem noch motoriek over hebben om ook aan deze figuren nog iets eigens te geven. Maar bovendien: wie een stuk zo in razernij te lijf gaat, moet ondanks snelheid en zogenaamde onverschilligheid de woede en weerzin van Gorki behouden, anders verliest het stuk zijn bodem. Dat lukt de spelers van STAN niet constant. Toonloosheid speelt ze bij vlagen parten en dan weer slaat de kluchtigheid toe - vluchtwegen die afleiden van het gegrom van De laatsten, dat wel vermakelijk mag zijn, maar niet ontwapenend.