Russische kindertehuizen vol met veel 'verkeerde' kinderen

PAVLOVSK, 21 SEPT. Op haar vijfde plaste Pauline Sjachova nog in bed en dat zal haar de rest van haar leven blijven achtervolgen. Ze werd namelijk debiel verklaard. In de Sovjet-Unie was het niet ongewoon kinderen met een lichamelijke 'afwijking' naar een psychiatrische inrichting te sturen, en in Rusland is dat nog niet anders.

Pauline woont in internaat nummer 4 voor zwakzinnige kinderen in Pavlovsk, een lommerrijk dorp in de buurt van St. Petersburg. Ze is inmiddels tien jaar en dank zij een operatie allang zindelijk. In een klasje temidden van kinderen met wie op het oog toch wel iets mis is, zit ze figuurtjes te knippen uit een stuk papier. “Nou”, zegt ze verlegen, “ik zou liever wiskunde doen en leren lezen.”

Het dagprogramma voor de zeshonderd bewoners van het tehuis voorziet helaas niet in wiskunde en lezen. Bezoek aan een basisschool wordt voor de kinderen ook te moeilijk geacht, voor de meesten althans. “Er zijn grote verschillen in intelligentie en gedrag”, erkent groepsleidster Raisa Goloeveva. “Pauline is heel pienter. Die zou waarschijnlijk op een gewone school ook wel kunnen meekomen.”

Er zijn vele Pauline Sjachova's in Rusland. Volgens een Brits onderzoeksrapport uit 1991 over kindertehuizen in de Sovjet-Unie was ongeveer een derde van de kinderen ten onrechte debiel of imbeciel verklaard. En afgelopen zomer verscheen een rapport van de Internationale Commissie voor de Waardigheid van het Kind over de toestand in Russische internaten, waarin staat dat “bij alle kinderen de diagnose 'zwakzinning' is gesteld, ook al hadden ze niet meer dan een lichte lichamelijke handicap”.

De schrijvers van dit rapport doelen op de internaten van het ministerie van sociale bescherming. Alleen in de regio rondom St. Petersburg zijn er daarvan al vijf. Het ministerie van onderwijs beheert eigen kindertehuizen, waar weeskinderen terechtkomen die geen afwijkend gedrag vertonen. Alleen, wat is afwijkend gedrag?

“Driekwart van de kinderen die voor opvang in aanmerking komen zijn sociale wezen: kinderen wier ouders aan de drank zijn, in de gevangenis zitten of die hen niet meer willen zien”, zegt Aleksandr Rodin, voorzitter van een particuliere organisatie voor kinderbescherming in St. Petersburg. De 'sociale wezen' zijn vaak al zo verwaarloosd als zij voor een keuringscommissie van de overheid verschijnen, dat hun gedrag al snel afwijkend kan worden genoemd. Bovendien maakt de medische wetenschap in Rusland nog steeds weinig onderscheid tussen lichamelijk en geestelijk gehandicapt: een afwijking is een afwijking.

Pag.5: Het is om gek van te worden

De ouders van Pauline bijvoorbeeld woonden met Pauline en haar twee jongere broertjes op één kamer van tien vierkante meter. Keuken, wc en badkamer op hun 'kommoenalka' deelden zij met andere families. Toen Pauline maar niet zindelijk bleek te worden dreef hen dat tot grote wanhoop. Een arts wist wel een plekje voor haar in internaat nummer 4. Daarvoor moest zij debiel - de lichtste staat van zwakzinnigheid - worden verklaard, maar dat was geen probleem.

Wie eenmaal de diagnose 'zwakzinnigheid in het stadium van debiliteit' heeft gekregen, wordt levenslang toevertrouwd aan de zorg van de staat. Tot het achttiende jaar in een kindertehuis, daarna in een 'gewone' psychiatrische inrichting. Een herkeuring kan hooguit tot gevolg hebben dat de 'patiënt' mag proberen zelfstandig te wonen. En dat komt om praktische redenen hoogst zelden voor. “Iemand die eenmaal zwakzinnig is verklaard krijgt nooit meer een propiska (woonvergunning), een rijbewijs, een bankrekening of een baan”, zegt Rodin.

Het was niet eenvoudig een bezoek te brengen aan internaat nummer 4. Ouders komen er nooit en nieuwsgierigheid stelt de directie niet op prijs. Als we uiteindelijk toestemming krijgen is dan ook alles tot in de puntjes voorbereid. De vloer is nog nat van het dweilen en in elk klasje zitten kinderen klaar om te tonen wat ze kunnen. Op de wc ligt bij elke wasbak een nieuw ongebruikt stukje zeep.

Directrice Tamara Aleksandrova werkt al 25 jaar in nummer 4 en zij wil van geen problemen horen. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is hier nauwelijks iets veranderd, zegt ze. “Nou ja, kon ik vroeger bij één apotheek al de benodigde medicijnen kopen, nu moet ik er drie langsgaan.” Maar het tehuis krijgt nog steeds genoeg geld om de kinderen te voeden en de staf te betalen. Het zou daarmee een uitzondering zijn in het huidige Rusland, waar het onderwijs en de gezondheidszorg met een dramatische geldgebrek kampen.

De rondleiding kenmerkt zich door een straf tempo. Fotograferen mag niet omdat, zoals Aleksandrova zegt, “de ouders dat niet willen”. Van de zeshonderd kinderen krijgen we er hooguit vijftig te zien, de slaapzalen worden overgeslagen en slechts na lang aandringen mogen we even kijken bij diegenen die hun hele leven niets anders kunnen dan in bed liggen. Ze liggen met zijn twintigen op een kamer in genummerde bedden. Aan de muur hangt een lijstje waarop wordt bijgehouden wie in welk nummer ligt.

Soms wisselt dat snel. Hoewel Aleksandrova geen sterftecijfer zegt te kunnen noemen, spreekt ze het door kinderbeschermer Rodin genoemde getal van honderd per jaar niet tegen. Soms ligt iemand er juist heel lang, zoals de nu veertienjarige Sergej. Hij kan al sinds zijn geboorte zijn armen en benen niet goed onder controle houden. Met zijn hoofd lukt dat beter. Hij stelt de medebewoners van de zaal voor. Activiteiten worden er met Sergej en zijn kamergenoten helaas zelden ondernomen. Bezoek krijgt hij nooit.

In het lokaal waar 'arbeidstherapie' wordt gegeven, vouwen drie jongetjes boekjes over 'De voorbereiding op het hiernamaals'. Dit gebeurt in opdracht van een christelijke organisatie die de inrichting zelf de machines heeft geleverd en ook voor de geleverde produktie betaalt. Het geld gaat in de instituutskas en wordt aangewend voor uitstapjes, vertelt directrice Aleksandrova. In een ander lokaal zitten meisjes achter naaimachines. En weer ergens anders worstelen vijf kinderen met muziekinstrumenten om een compositie ten gehore te brengen die speciaal voor deze gelegenheid is ingestudeerd.

Bij de demonstratie van de gymklas valt Svetlana op. Achttien jaar, zegt de directrice. Twintig, zegt ze zelf als de directrice zich al weer naar het volgende programmaonderdeel spoedt. Aan Svetlana is niets afwijkends te merken. Ze zit hier al zestien jaar en weet niet hoe ze in de inrichting is terechtgekomen. Ze zou liever zelfstandig wonen, buiten. “Ik denk wel dat ik het kan. Een baan moet in elk geval geen probleem zijn, want ik ontwerp en naai zelf kleding.” Waarom vertrekt ze dan niet?

Op dat moment komt Aleksandrova verschrikt aansnellen. Ze toont zich ontstemd dat wordt afgeweken van het protocol. Maar als het leed dan toch is geschied wil ze wel in discussie gaan. “Sveta weg? Als ze hier uit wil moet ze naar een psychiatrische inrichting voor volwassenen. Vindt u dat dan een oplossing”, vraagt ze. “Wij hebben één verpleegster op twaalf patiënten, bij de volwassenen is er slechts één voor elke 120 patiënten. Dan is ze bij ons dus beter af.” Svetlana maakt zich nuttig door te helpen bij de verzorging van de allerkleinsten.

Zelfstandig wonen is voor Svetlana volgens de directrice uitgesloten, niet omdat ze daarvoor te dom zou zijn, maar om praktische redenen. “Ze heeft geen propiska, dus krijgt ze nooit woonruimte. Alleen als een familie haar zou willen opnemen zou het kunnen, maar welke familie wil er nou een meisje van twintig?” Gezocht naar adoptie-gezinnen wordt er overigens niet. “Dat is niet mijn taak. Dat is de verantwoordelijkheid van de commissie.” Eenzelfde antwoord geeft Aleksandrova op de vraag of in Rusland kinderen misschien niet wat al te snel geestelijk gestoord worden verklaard. “Daar gaan wij hier niet over.”

Als we vertrekken, lopen we in de gang Pauline weer tegen het lijf. Ze vertelt over de populaire televisieserie 'Gewoon Maria', waaruit ze alle figuren blijkt te kennen. Maar Pauline heeft een erg slecht geheugen, verzekert de directrice. Bij het afscheid kijkt het meisje sip. Ze moet nog acht jaar. Gek wordt ze ervan.