Oort-studies zijn 'niet goed vergelijkbaar'

DEN HAAG, 21 SEPT. De uitkomsten van onderzoeken die het ministerie van financiën en de Rijksuniversiteit Groningen hebben gedaan naar de lastenverlichting als gevolg van de belastingherziening (operatie-Oort) zijn “niet goed vergelijkbaar”.

Dat schrijft staatssecretaris Vermeend (financiën) in een brief aan de Tweede Kamer op vragen van het Tweede-Kamerlid Rabbae (GroenLinks). Volgens Vermeend hebben de Groningse onderzoekers, prof. dr. C.A. de Kam en drs. J.E. Sturm, in hun artikel in het Weekblad voor fiscaal recht “niet de effecten van de Oort-operatie weergegeven”.

De Groningse onderzoekers hebben de totale heffingdruk van een aantal belastingen en premies voor de sociale verzekeringen (werknemers- én werkgeversaandeel) tussen 1989 en 1990 met elkaaar vergeleken. De totale heffingdruk is van 1989 op 1990 gewijzigd “zonder dat dit iets met de Oort-operatie te maken heeft”, aldus Vermeend.

Volgens De Kam en Sturm zijn de lasten van 1989 op 1990 met 4,2 miljard gulden verlaagd. Het ministerie van financiën meldde vorige maand dat de lastenverlichting 4,8 miljard gulden bedroeg. Dit is 0,2 miljard gulden minder dan oorspronkelijk was geraamd.

Vermeend erkent dat de methode die De Kam en Sturm hebben gebruikt “wezenlijk” verschilt van die van Financiën. De ambtenaren hebben de Oort-evaluatie gedaan op basis van een steekproef van aangiften over 1989 en voor elke belastinplichtige berekend wat aan loon- en inkomstenbelasting en premies volksverzekering verschuldig zou zijn geweest als in dat jaar het Oort-systeem zou hebben gegolden. De Kam en Sturm hebben het inkomen van 1989 en de daarbij behorende belasting- en premiedruk vergeleken met het inkomen van 1990. De verandering van 1989 op 1990 wordt door tal van zaken benvloed, waarvan de Oort-opeartie er slechts één is.

Volgens het ministerie van financiën is 49 procent van de lastenverlichting ten goede gekomen aan de belastingbetalers in de eerste schijf (tot 40.000 gulden belastbaar inkomen). De Kam en Sturm komen uit op een percentage van 20. In de tweede schijf (tot 90.000 gulden) zou volgens Financiën 43 procent van de lastenverlichting zijn terechtgekomen, tegen 63 procent volgens De Kam en Sturm. Volgens Financiën is 8 procent van de lastenverlichting terechtgekomen bij de belastingbetalers in de derde schijf. De Groningse onderzoekers komen uit op het dubbele (16 procent).

De cijfers zijn volgens Vermeend “niet goed vergelijkbaar”, omdat de Groningers werken met het bruto totaalinkomen en Financiën met het inkomen waar belasting en premies over worden geheven. Bij het bruto totaalinkomen wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de overhevelingstoeslag (de vergoeding die werknemers krijgen omdat ze sinds Oort de premies volksverzekering betalen) en blijven sommige fiscale aftrekposten buiten beschouwing.

Rabbae is nog niet overtuigd en wil het debat over de begroting van financiën gebruiken om duidelijkheid te krijgen. Vermeend toont zich in zijn brief bereid om het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Centraal Planbureau opdracht te geven de methodologische aspecten van beide onderzoeken nader te bezien. De GroenLinks-afgevaardigde staat positief tegenover deze suggestie.