Onderwijs vreest toch aanslag

ROTTERDAM, 21 SEPT. De organisaties van universiteiten en hogescholen vrezen dat de voorgenomen bezuiniging van 500 miljoen gulden op het hoger onderwijs zal dóórgaan, ondanks de aankondiging van minister Ritzen (onderwijs) dat naar de uitvoerbaarheid van die bezuinigingen een onafhankelijke 'technisch' onderzoek zal worden uitgevoerd. Voorlopig heeft Ritzen nog slechts een klein gedeelte van het bezuinigingsbedrag ingevuld met concrete maatregelen.

Minister Ritzen zei vanmorgen voor de radio dat hangende de uitkomst van het onderzoek door de bezuiniging 'geparkeerd' is. Maar volgens een woordvoerder van het ministerie van financiën is de taakstelling van 500 miljoen “niet van de baan”. Als uit het onderzoek zou blijken dat de bezuinigingen onmogelijk zijn, moet Ritzen het bedrag elders op zijn begroting vinden of de ministerraad overtuigen dat de 500 miljoen beter bij andere departementen kan worden gevonden, aldus Financiën.

Het onderzoek naar de nadere invulling van de bezuiniging zal in opdracht van de ministeries van onderwijs en financiën worden verricht door het Sociaal en Cultureel Planbureau, het Centraal Planbureau en het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven. Ritzen wil dat de drie betrokken onderzoeksinstellingen al voor 1 november bekend maken welke “elementen” in het onderzoek een rol zullen spelen zodat de 'richting' van het onderzoek bij de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer rond 15 november aan de orde kan komen. Tegen die tijd zal ook staatssecretaris Nuis (hoger onderwijs) een brief naar de Kamer sturen waarin hij nader uitlegt hoe zijn voorgenomen nieuwe stelsel van kortere en langere opleidingen in het hoger onderwijs er uitziet.

De HBO-raad acht een onderzoek niet nodig, omdat “nu ook wel duidelijk is dat de bezuinigingen onhaalbaar zijn”, aldus een woordvoerder. De vereniging van universiteiten VSNU acht de kans groot dat in het onderzoek naar de bezuinigingen “de wens tot bezuiniging wordt uitgediept, zonder dat daarbij enige onderwijskundige overweging een rol speelt”. Ook volgens de VSNU zijn de bezuinigingen - los van de onderwijskundige kant - “absoluut onhaalbaar”: door de wachtgeldverplichtingen zal het ontslaan van personeel niet voldoende opbrengen en voor ingrijpende structuurwijzigingen zullen de benodigde wetten niet snel genoeg kunnen worden aangenomen. De HBO-raad wijst er verder op dat los van de omstreden bezuiniging van 500 miljoen gulden het HBO sowieso in grote financiële problemen zal komen omdat het ministerie de groei van het aantal studenten niet financieel zal compenseren, Daardoor zal in de komende vier jaar het beschikbare bedrag per student met 15 procent dalen. “Dit kabinet wil de economie versterken, maar maakt de bijdrage daaraan van het hbo onmogelijk”, aldus A. van der Hek, voorzitter van de HBO-raad.

De VSNU waarschuwt dat het onderzoek naar de bezuinigingsmogelijkheden de discussie over een nieuwe structuur van het hoger onderwijs niet mag “vertroebelen”, maar vindt wel dat door het nadere onderzoek “ruimte ontstaat voor een dialoog over de vernieuwing van de hoger onderwijs”. De HBO-raad is minder positief: “Zolang de bezuinigingen niet van tafel zijn, heeft een discussie over een andere inrichting van het hoger onderwijs weinig perspectief.” Volgens een woordvoerder van het ministerie van onderwijs maakt de stelselherziening echter juist wel deel uit van de opdracht aan de onderzoeksinsitituten . Ze moeten bekijken of het 'technisch' mogelijk is door veranderingen in het stelsel voldoende te bezuinigen.

Inmiddels heeft de VSNU een werkgroep onder leiding van de Tilburgs oud-rector magnificus prof. dr. R.A. Moor ingesteld, die voor het einde van het jaar moet rapporteren over mogelijkheden voor verdere differentiatie en selectie in het hoger onderwijs. Volgens een woordvoerder is de VSNU er op tegen “het hele huidige systeem op zijn kop te zetten”, maar zijn er wel mogelijkheden voor meer verscheidenheid in cursusduur. De VSNU wil de bepaling van de cursusduur decentraliseren naar de universiteiten.