Komedie over homo's lijkt een schaamlap voor repressie

Fresa y chocolate. Regie: Tomás Gutiérrez Alea en Juan Carlos Tabío. Met: Jorge Perugorría, Vladimir Cruz, Mirta Ibarra. In: Amsterdam, De Uitkijk; Rotterdam, 't Venster; Den Haag, Filmhuis; Utrecht, Springhaver; Eindhoven, Plaza Futura; Groningen, Liga 68; Nijmegen, Cinemariënburg; Maastricht, Lumière.

Zowel binnenlandse dissidenten als in ballingschap levende intellectuelen spitsten hun kritiek op het regime van Fidel Castro vaak toe op de politiek ten aanzien van homoseksualiteit. In 1964 werd gelijkgeslachtelijke liefde in Cuba bij wet verboden en in de jaren zeventig voerde de partij zelfs actief campagne tegen homoseksuelen, die als 'contra-revolutionair' en representanten van het oude systeem gezien werden. De homo-vervolging was het onderwerp van een documentaire, Conducta impropria, die de Cubaanse ballingen Orlando Jimenez-Leal en de beroemde cameraman Nestor Almendros (overleden in 1992) tien jaar geleden in de Verenigde Staten maakten. Toen Jimenez-Leal uitgenodigd werd om de film tijdens de nu in Nederland gehouden 'Muestra de Cine Cubano' te vertonen, antwoordde hij uit Los Angeles dat een Duitse vluchteling toch ook niets te zoeken heeft op een retrospectief van nazi-films.

Wel wordt aansluitend op het Nederlandse Cuba-programma de recente, dit jaar in Berlijn met een Zilveren Beer onderscheiden speelfilm Fresa y chocolate uitgebracht. Daaruit valt op te maken dat het tegenwoordig in de praktijk wel eens mee zou kunnen vallen. De naar Florida gevluchte Cubaanse filmer Sergio Giral beschuldigde de makers van Fresa y chocolate echter van hypocrisie en noemde hun werk 'een film die beantwoordt aan de actuele belangen van de staat om politieke veranderingen te laten zien, die de wereldopinie mogelijk doen kenteren'.

Intuïtief ben ik geneigd Giral te geloven. In Berlijn werd wat al te snel gejuicht over het feit dat er een film uit Cuba kwam, waarin omstandig beweerd wordt dat een homoseksueel ook maar een mens is. De strekking van Fresa y chocolate smaakt eerder naar een schaamlap voor de repressie dan naar een liberaal manifest. De identiteit van de beide regisseurs, veteraan Tomás Gutiérrez Alea (1928) en de maker van Plaff Juan Carlos Tabío (1943), wijst op dezelfde conclusie: geen van beiden staat bekend als een criticus van Castro's heilstaat.

Je moet natuurlijk altijd uitkijken met de constatering dat een film uit een ander deel van de wereld zich van cliché's bedient. Misschien zijn die in onze ogen aan een platte televisieserie als In de Vlaamsche pot verwante stereotiepen voor Cubaanse begrippen wel bijzonder progressief, of zelfs authentiek. De ontmoeting tussen de relnicht Diego (Jorge Perugorría) en de jonge, revolutionaire student David (Vladimir Cruz) begint in ieder geval op culinair niveau. Diego schuift op een terras aan bij Davids tafeltje en begint, terwijl hij sensueel zijn ijscoupe uitlepelt, een verhandeling over de enige leverbare smaken: als iedereen aardbeien wil, neemt hij natuurlijk chocola, of andersom. De versierpoging krijgt de allure van enig succes, wanneer Diego de jongeman naar zijn huis weet te lokken, met het vooruitzicht op een boek van (de verboden Peruaanse schrijver) Mario Vargas Llosa.

Omdat een frontale aanval op de kuisheid van de student nog niet geboden lijkt, tracteert de gastheer op nieuwe colleges, over de in zijn huis verborgen kunstschatten, decadente muziek en heiligenbeelden. Uiteindelijk verzint hij een list: de buurvrouw wordt overgehaald om de jongen eerst aan de liefde te laten ruiken, zodat hij als een rijpe appel in de schoot van Diego zal kunnen vallen. Het eindresultaat is een vriendschappelijke omhelzing en een beter wederzijds begrip tussen representanten van twee waardesystemen.

Eigenlijk gaat Fresa y chocolate dan ook niet over homoseksulaiteit, maar over de toenadering tussen 'rood' en 'bruin' - om het maar eens even plastisch als de titel aan te duiden - en over de noodzaak het recht op individuele verschillen te erkennen. Even overweegt de student immers om de contra-revolutionair aan te geven bij de politie, maar daarvoor is hun band inmiddels te sterk. Bovendien kon het Cubaanse publiek, dat in groten getale van de film genoot, zich verkneukelen aan tal van satirische grapjes over de absurditeiten van een failliet bewind.

Net als in de laatste decennia van de Oosteuropese totalitaire regimes, heeft de Westerse kijker de neiging om min of meer kritische films van binnen uit slechts te beoordelen naar de ideologische lading. Voor het eigen publiek, dat maar al te goed op de hoogte is van de grenzen van de vrijheid van meningsuiting, spelen zulke overwegingen een andere rol: het zoekt niet naar antwoorden, als de relevante vragen maar gesteld worden. Voor ons, in de veilige geborgenheid van nagenoeg complete persoonlijke vrijheid, is die verbondenheid met het thema veel minder vanzelfsprekend. Dan resteert een niet zo verschrikkelijk briljante komedie, met soms stuitend grof geschilderde karikaturen.