Haïtiaanse dictators kunnen met eervol pensioen

Met het 'akkoord van Port-au-Prince' werd een Amerikaanse invasie in Haïti ternauwernood afgewend.

De overeenkomst is voor de junta meer een aanmoedigingsprijs dan een straf, vindt Hans Steketee.

De landingen van Amerikaans soldaten in Port-au-Prince moeten oudere Haïtianen een déjà vu bezorgen. In 1917 vestigden Amerikaanse mariniers er een bestuur. Ze zouden blijven tot 1934 om de financiële belangen van de Verenigde Staten te dienen en zeggenschap te behouden over een strategisch eiland in de toegang naar het Panama-kanaal. Het vestigen van een duurzaam democratisch bestuur - hoofddoel van de huidige Amerikaanse operatie in Haïti - had in 1917 geen prioriteit.

Ook bij andere bezettingen in het Caraïbisch gebied en Midden-Amerika hebben de VS belangrijke kansen laten liggen om er democratieën te helpen vestigen. Zij gaven de voorkeur aan kortstondig economisch, politiek of militair gewin en hielpen dictators als Trujillo (Dominicaanse Republiek), de Somoza's (Nicaragua) en de oudere geestverwanten van generaal Cédras in het zadel.

In Haïti is despotisme eerder regel dan uitzondering geweest, van de 'slavenkoningen' die het na de onafhankelijkheid in 1804 regeerden tot aan de doctature van 'Papa' en 'Baby Doc' Duvalier na de Tweede Wereldoorlog. Vooral de afgelopen decennia konden deze regimes - wegens het rode gevaar - rekenen op actieve steun van de VS, of op zijn minst enig begrip. Natuurlijk, het waren schoften, maar wel onze schoften, was de redenering. De nieuwe 'militaire voogdij' over Haïti biedt de VS een gelegenheid om iets goed te maken van wat ze vanaf 1934 hebben laten liggen. Maar het is ook mogelijk dat het daarvoor te laat is.

De aanwezigheid van 15.000 Amerikaanse militairen zal zeker levens sparen. Met name die van arme, zwarte aanhangers van de verdreven president Aristide, onder wie de attachés - de met machetes en pistolen bewapende 'hulppolitie-in-burger' - de afgelopen vier jaar zo'n vierduizend moorden hebben gepleegd. En ook van vele honderden vluchtelingen die nu niet in wrakke bootjes de zee op zullen gaan en verdrinken voor de Amerikaanse kustwacht ze uit het water vist. Diezelfde groep van allerarmste Haïtianen - zo'n vier miljoen - zal profiteren van het reusachtige hulpprogramma dat op gang komt. Dit betekent mogelijk ook de doodsteek voor het smokkelnetwerk van brandstof vanuit de Dominicaanse Republiek waarmee de handlangers van het regime zichzelf het afgelopen jaar hebben verrijkt.

Maar de hulpverlening zal de malaise van de Haïtiaanse economie, de sociale ongelijkheid en de repressie alleen tijdelijk camoufleren. Sinds het begin van de crisis is duidelijk dat er na die eerste fase onder een militaire bezetting een proces op gang moet komen van wat nation building genoemd wordt. In Haïti geldt dat letterlijk: in feite moet de fundering nog gelegd worden voor met het metselen kan worden begonnen. Sinds de coup van 1991 is het maatschappelijk weefsel volledig vergaan. Openbare bestuurslichamen - van het parlement tot gemeenteraden - zijn ontbonden. Vakbonden, wijkcomité's en landbouwcoöperaties functioneren niet langer. Plaatselijke hulporganisaties is het werken onmogelijk gemaakt. Rechtspraak en het politieke systeem, toch al kasplantjes, zijn onder het bewind van de junta zo goed als verdord. In Haïti heerst alleen nog het recht van de sterkste. Onder het zondag bereikte akkoord zal dat blijven gelden. Er zijn geen aanwijzingen dat de attachés hun activiteiten definitief zullen staken. In december 1995 worden “vrije en democratische verkiezingen” gehouden, stipuleert akkoord. De Haïtianen mogen dan nog zo taai en vitaal zijn, voor zo'n optimistische toekomstvisie lijkt het veel te vroeg.

President Clinton beschouwt het 'akkoord van Port-au-Prince' als een zege. In werkelijkheid biedt het de huidige machthebbers talloze uitwegen en mogelijkheden tot sabotage. Clinton zegt dat Aristide volgens het akkoord na 15 oktober zal terugkeren. In de tekst wordt Aristide niet eens bij name genoemd. Volgens Clinton zal de junta voor 15 oktober aftreden. Het akkoord spreekt slechts van “zekere officieren van het Haïtiaanse leger” die met “eervol pensioen” zullen gaan. Het akkoord is alleen ondertekend door de stroman-president Emile Jonassaint, niet door de juntaleden zelf. Dit akkoord is voor de junta en haar medestanders geen straf, maar een aanmoedigingsprijs.

De VS lijken bovendien degenen die het akkoord moeten uitvoeren - de VN en Aristide - van zich te hebben vervreemd. Vannacht spraken hoge VN-functionarissen hun diepe twijfel uit over de levensvatbaarheid van het akkoord en president Aristide liet gisteren weten het vooralsnog te zullen negeren. Uit angst voor slachtoffers aan eigen zijde hebben de VS hun kaarten gezet op “samenwerking” met en “wederzijds respect” voor de huidige machthebbers. De overeenkomst biedt hen - “dictators die vier jaar lang hebben gemoord en verkracht”, aldus Clinton - algehele amnestie. Zij hoeven niet in ballingschap en mogen in eigen land blijven, zonder vrees voor het proces waarmee de VS hen herhaaldelijk hebben gedreigd. Het handelsembargo tegen Haïti zal bovendien “zonder vertraging” worden opgeheven, wat betekent dat de juntaleiders weer over hun bevroren buitenlandse banktegoeden kunnen beschikken. Over ontwapening wordt niet gerept. Tot 15 oktober is ruim voldoende om de machinepistolen en machetes te verbergen, tijdelijk te verdwijnen en het verzet tegen Aristide te regelen.

De terugkeer van Aristide is heilig voor de VS. Maar gesteld dat dat gebeurt, gesteld dat hij weet te ontsnappen aan een moordaanslag, dat zijn medestanders niet massaal wraak zullen nemen en dat hij zijn onderbroken presidentschap onder de huidige omstandigheden wil voortzetten, dan zal hij niet veel meer zijn dan een marionet. Hij zal geen stap kunnen zetten zonder goedkeuring van het buitenlandse bestuur. Aristides laatste jaar als president - zijn termijn loopt af in december 1995 en de grondwet verbiedt zijn herverkiezing - is op zijn allergunstigst een overgangsfase naar een werkelijk democratisch presidentschap. En waarschijnlijk levert zijn geforceerde, opgelegde terugkeer nieuwe confrontaties op tussen de onverzoenlijken in Haïti. De trotse wapenspreuk van het land - “l'Union fait la Force” - is vooralsnog een lachertje.

Afgezien van Cuba en Haïti zijn sinds een jaar of tien in heel Latijns Amerika democratische regeringen aan de macht. In diezelfde periode is in heel Latijns Amerika de welvaart - althans in macro-cijfers - toegenomen. De hypothese dat democratie en economische vooruitgang hand in hand gaan, zoals de VS graag zeggen, lijkt hier te kloppen. De vraag is of dit voor Haïti ook zou opgaan. Snelle groeiers als Chili, Argentinië en Mexico beschikten over een grote natuurlijke en intellectuele rijkdom. Toen zij eenmaal uit vrije wil de stap hadden gezet om onder een democratisch bestel grote schoonmaak te houden in de economie, volgde groei vanzelf. In Haïti ontbreken zowel die vrije wil als de economische voorwaarden.

Het land is ontbost door roofbouw en waar de grond niet is geërodeerd vechten kleine bedrijfjes moeizaam voor hun bestaan. Tot de coup exporteerde Haïti wat fruit, suiker, katoen en koffie. De winning van aluminium was al gestaakt en met een gemiddeld jaarinkomen van 350 dollar per hoofd van de bevolking gold Haïti ook toen al als het armste land van het westelijk halfrond. Zestig procent van de ruim zes miljoen Haïtianen is werkloos, de meesten zijn analfabeet, Haïti kent een van de hoogste aidsverspreidingen ter wereld.

Wie niet in de landbouw werkte, naaide baseballpetjes en -handschoenen in elkaar voor de Amerikaanse markt. Maar de assemblage-industrie is sinds 1991 verplaatst naar landen als Guatemala. Pogingen de landbouw met buitenlandse hulp te revitaliseren zijn al eerder mislukt. Slimme (en bevoorrechte) Haïtianen emigreren naar Canada en de VS. Er zijn meer Haïtiaanse artsen in Montreal of Miami dan in Port-au-Prince.

Alleen de elite, de ene procent van de bevolking die veertig procent van de rijkdom controleert, leeft in luxe villa's in de heuvels boven Port-au-Prince, met een Jeep Cherokee op de oprijlaan. Juist zij vormen de steun en toeverlaat van de huidige junta. Het is moeilijk te zien waarom zij hun verworvenheden onder de huidige omstandigheden zouden opgeven.

De VS hebben in Haïti een invasie à la Panama (1989) willen vermijden. Een corrupt en wreed regime blijft daarom voorlopig intact. De prijs daarvoor zou wel eens zeer hoog kunnen zijn. Zodra de VS Haïti weer in de steek laten - en dat moment komt waarschijnlijk snel - zal het geweld opnieuw de kop opsteken. Aan de armoede of het democratisch gehalte zal structureel niet veel veranderen.

Sinds het begin van de eeuw is de nadruk in de Amerikaanse politiek in het Caraïbisch gebied en Midden Amerika misschien verschoven, maar de loze retoriek is hetzelfde gebleven. “Permanent wangedrag of het ontbreken van orde in een land vereisen de interventie van geciviliseerde staten. In het westelijk halfrond (...) kunnen de Verenigde Staten gedwongen zijn om, zij het met terughoudendheid, in flagrante gevallen van zulk wangedrag of onvermogen de macht uit te oefenen van een internationale politiemacht.” Dit is geen citaat uit de toespraak waarmee de Amerikaanse president Clinton de Haïtiaanse junta vorige week voor het laatst waarschuwde. Maar zo formuleerde president Theodore Roosevelt in 1904 voor het Amerikaanse Congres zijn interpretatie van de Monroe-doctrine, die 'orde in de achtertuin' propageerde. Zestig jaar na de Amerikaanse bezetting van Haïti is een gevoel van déjà vu goed voorstelbaar.