Eis: celstraf voor douaniers

AMSTERDAM, 21 SEPT. Officier van justitie M.R. Witteveen heeft gisteren voor de Amsterdamse rechtbank tegen vier douaniers achttien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geeïst wegens valsheid in geschrifte dan wel medeplichtigheid daaraan.

Hij verweet de (oud)medewerkers van de afdeling surveillance van de douanepost Amsterdam, onder wie het voormalig hoofd van de afdeling, een teamleider en twee douaniers, dat zij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en de douanerecherche in een grote hasjzaak fictieve informatie hadden toegespeeld.

De Amsterdamse douanesurveillance kwam in januari 1991 in actie toen een kraanmachinist twee containers van het schip Coral Sea 2 had gehaald. De kraanmachinist had volgens hem niet de afgesproken vergoeding ontvangen en stelde de politie daarvan in kennis. De politie lichtte de douane in die nader onderzoek verrichtte, omdat voor het lossen geen vergunning was gegeven. De kapitein betaalde de boete, die hem voor dit ongeoorloofd lossen was opgelegd, in de ogen van de douaniers verdacht snel. Ook zijn verhaal dat de containers schroot bevatten uit Singapore, wekte argwaan. Besloten werd het schip in de gaten te houden. Na enige tijd werd waargenomen dat iemand aan de balie van een motel in Haarlem een tas in bewaring gaf. De tas bleek een aanzienlijk geldbedrag te bevatten.

De medewerkers van de doaunesurveillance vreesden dat er voor de instantie die de zaak moest afhandelen, de douanerecherche, nog te weinig materiaal voorhanden was om tot vervolging over te gaan. Daarom werd besloten informatie te verzinnen. Daarmee kon verband worden gelegd tussen het geld en een overtreding van de opiumwet. Deze informatie werd toegeschreven aan een bij de surveillancedienst bekende, maar in wezen fictieve, informant. Vervolgens werd de douanerecherche ingelicht die samen met de politie een inval in het motel deed.

De zaak kwam aan het rollen nadat twee douaniers bij wijze van straf waren overgeplaatst. Omdat zij geen gehoor vonden voor hun bezwaren stapte een van hen naar de Utrechtse advocaat P. Doedens. Die hoorde hun verhaal aan en lichtte Justitie in. Vervolgens startte de rijksrecherche een onderzoek. Beide douaniers waren inmiddels wegens schending van hun geheimhoudingsplicht ontslagen.

Officier van justitie Witteveen sprak zijn verbijstering uit over de gang van zaken. Door de slechte werkverhouding tussen de douanesurveillance en de FIOD was er volgens hem “een troebele sfeer” ontstaan “waarin leugen en bedrog een weg vonden naar de hoofden van de verdachten.” Hij noemde het “een spookbeeld” wanneer rechters en officieren van justitie zich steeds moeten afvragen of een proces verbaal wel naar waarheid is opgemaakt.

De advocaat van de twee douanebeambten die de vervalsing aanhangig hadden gemaakt, P. Huisman, wees erop dat niet zijn cliënten, maar hun chefs verantwoordelijk zijn voor de bedrijfscultuur waarin met “een zeker gemak” met de waarheid werd omgegaan. Volgens de advocaat is het algemeen belang er juist mee gediend wanneer dit soort zaken aan het licht komt. Hij vroeg zich af of zijn cliënten “niet veel eerder voor tipgeld dan voor gevangenisstraf in aanmerking komen”.