CPB sluit volgend jaar 4 procent groei niet uit

DEN HAAG, 21 SEPT. De Nederlandse economie groeit in 1995 mogelijk met 3,5 of met 4 procent. Dat zei de onderdirecteur F. Don van het Centraal Planbureau gisteren op een bijeenkomst in Amsterdam.

In de Macro-Economische Verkenning 1995 die het CPB gisteren ter gelegenheid van Prinsjesdag presenteerde, staat nog de prognose dat de economie volgend jaar met 3 procent groeit. Dat is al één procentpunt meer dan de 2 procent waarop het kabinet zijn beleid baseert.

Don noemde het overigens verstandig van het kabinet om van dat lagere percentage uit te gaan, omdat tegenvallers dan niet direct tot nieuwe bezuinigingen nopen. De ontwikkeling van de rente, de dollarkoers en de olieprijs, die allemaal van grote invloed zijn op de gang van zaken in de economie, zijn nog zo onzeker dat dergelijke tegenvallers zich nog altijd kunnen voordoen.

Een procent meer groei betekent voor het kabinet al gauw vijf tot zes miljard gulden aan extra belastinginkomsten. De afspraak in het kabinet is overigens dat zulke extra inkomensten niet aan nieuw beleid worden uitgegeven, maar op de eerste plaats worden besteed aan verlaging van het financieringstekort. Minister Zalm (financiën) wil strak aan deze afspraak vasthouden.

Het kabinet schat het financieringstekort volgend jaar op 3 procent (van het bruto binnenlands produkt) en denkt in 1998 op 2,9 procent uit te komen. Daarbij is het overigens uitgegaan van een jaarlijkse groei van de economie van 2 procent. Is de groei inderdaad hoger dan worden de meevallers gebruikt om het financieringstekort naar 2,7 procent te verlagen. Is er dan nog altijd geld te besteden, dan gaat daarvan eerst 100 miljoen naar politie en justitie. Pas daarna komt een afweging aan de orde of extra inkomsten worden besteed aan verdere lastenverlichting of verlaging van het financieringstekort, dan wel of het geld op andere wijze voor versterking van de economische structuur wordt aangewend.

Het CPB schrijft de hogere economische groei op de eerste plaats toe aan de grotere uitvoer en op de tweede plaats aan de hogere binnenlandse bestedingen.