Vreugde slaat om in paniek

PORT-AU-PRINCE, 20 SEPT. “Mijn hart is gevuld met vreugde”, zegt Marie en wijst naar de Amerikaanse helikopters die door de optrekkende ochtendnevel af en aan vliegen om soldaten bij het vliegveld en de haven van Port-au-Prince af te zetten.

Ze is 25, zeven maanden zwanger en ze straalt. Het geluk lacht haar toe, zegt ze; de terugkeer van Jean-Bertrand Aristide naar Haïti, haar president, lijkt opeens niet veraf meer.

Ze is niet de enige gelukkige. Terwijl de Amerikaanse troepenmacht na het akkoord dat de junta en de missie-Carter zondag sloten over de hoofdstad uitwaaiert, gaan duizenden Haïtianen voor het eerst sinds de staatsgreep van september 1991 de straat op om openlijk Aristide te steunen.

De spontane demonstratie bij de haven is groter dan alle betogingen bij elkaar die het regime van generaal Raoul Cédras in het afgelopen jaar heeft georkestreerd. “Wij wilen père Aristide”, roept een man met overslaande stem. “Democratie is niet het werk van één man, maar één man kan veel doen. Na hem zullen anderen volgen”.

Op een paar meter afstand staan politiemannen, zowel de geuniformeerde als de gevreesde hulppolitie in burger, de attachés. “Vroeger waren we bang”, zegt de man, “nu niet meer”.

Dan is er opeens paniek. Als een kolonne Amerikaanse voertuigen het terrein verlaat tussen de menigte begint de politie om zich heen te slaan met koevoeten, stukken hout en kolven van automatische wapens. Hier en daar klinkt het geluid van brekende botten.

Pag.5: In Haïti ligt de wanhoop om de hoek

In twee minuten tijd is de weg voor het haventerrein leeg, op vele tientallen achtergelaten schoenen, petjes en andere bezittingen na. Een kleine jongen hinkt weg op één schoen, de blote voet in pijn vertrokken. Weg zijn uitgelaten huppelpasjes, de Creoolse spreekkoren - “Cédras moet aftreden en in de boeien worden geslagen. Leve Aristide” - en de mevrouw met het extatische gezicht die Democratie? Oui. Justice? Oui. Liberté? Oui! had geroepen.

Achter het hek van het zojuist door hen bezette haventerrein kijken Amerikaanse soldaten met stijgende verbazing naar het tafereel. Dit is het Haïti van het onrecht en de wanhoop, dat de jonge Amerikaanse beroepsmilitairen - sommigen zijn pas minder dan een paar maanden in het leger - niet kennen uit de kleine steden en dorpen waar de meesten van hen vandaan komen. “We kunnen nu niets doen”, zegt een onderofficier van achter het hek verontschuldigdend, terwijl een attaché afstormt op een jongeman die een verloren schoen tracht op te rapen. “Onze opdracht is niet erg duidelijk”.

Ook de Haïtiaanse politie weet niet goed wat er moet gebeuren. De commandant van de eenheid roept tegen de attachés dat alleen geüniformeerden de orde mogen handhaven. Maar de attachés - die verantwoordelijk worden geacht voor het merendeel van de vierduizend moorden uit de afgelopen vier jaar - blijven er op los slaan met pistoolkolven. Dan komt het bericht van de eerste dode van de operatie. Een jongen van een jaar of tien is in het gedrang door een Amerikaanse Humvee-jeep overreden.

Het was bevrijdingsdag in Port-au-Prince, maar ook de dag van een nieuwe en verrassende “samenwerking” tussen het Amerikaanse leger en het militaire bewind. In feite begon de dag met de onzekerheid die het merkwaardige en onduidelijke akkoord-van-het-laatste-moment tussen de Amerikaanse oud-president Jimmy Carter en de Haïtiaanse dictator Raoul Cédras had geschapen. Om precies 09.30 uur landden tien Blackhawk-helikopters van het vliegkampschip Eisenhower op het asfalt van de internationale luchthaven van de Haïtiaanse hoofdstad. Uit elk van de toestellen sprongen twintig manschappen van de 10de Mountain Division en van de 82ste Airborne Division. Deze lieten zich onmiddellijk op de grond vallen, de vuurwapens gericht op de toeschouwersgalerij van het luchthavengebouw, waar zich op dat moment de vrijwel complete internationale pers in Haïti had verzameld.

De scene deed denken aan de landing van Amerikaanse commando's in december 1992 op het strand in Somalië, die werden opgewacht met de televisielampen en lenzen. Het gelach vanaf het balkon droeg zeker bij tot de verwarring van de soldaten.

Maar al gauw hadden de beroepsmilitairen de zaak onder controle en was de luchthaven van Port-au-Prince vast in handen van het Amerikaanse leger. Onvermijdelijk kregen de soldaten een microfoon onder hun neus geduwd, waarbij de belangrijkste vraag van de Amerikaanse journalisten was uit welke plaats in de VS de soldaten afkomstig waren. Het militaire spektakel bij de luchthaven trok binnen de kortste keren een stoet van terreinauto's die doorgaans alleen worden bestuurd door de rijke elite van het land en aanhangers van het militaire regime. Ook arme Haïtianen stonden langs de kant van de weg de Amerikaanse militairen aan te gapen. Op dat moment voelde nog niemand zich geroepen een mening over de politieke situatie te verkondigen.

De bevelhebber van de Amerikaanse militaire operatie, luitenant-generaal Henri Shelton, zei na afloop van urenlang overleg met de Haïtiaanse legerleider Cédras, dat zijn manschappen en hij “warm zijn ontvangen door de militairen en de bevolking hier in Haïti”. De samenwerking tussen het Haïtiaanse en het Amerikaanse leger zó groot, dat “generaal Cédras bezorgd was over de veiligheid van Amerikaanse troepen in sommige gebieden van de hoofdstad”, aldus Shelton tijdens een persconferentie in de Amerikaanse ambassade.

Voor wie zojuist is afgedaald van Mars, lijkt het alsof Washington en Port-au-Prince al jarenlang een innige relatie onderhouden. Cédras is sinds gisteren in het officiële Amerikaanse spraakgebruik niet langer geen “dictator”. Over de ruim vierduizend doden onder het militaire regime (aldus president Clinton vorige week donderdag) en de massale verkrachtingen wordt niet langer gesproken. De ontwapening van de attachés, een prioriteit in een invasie-scenario zo geeft generaal Shelton toe, is nu een zaak geworden van “instructies van hogerop en overleg met de Haïtiaanse militaire autoriteiten”. Dank u wel, geen verdere vragen meer. Want de generaal had nog een druk programma voor de boeg.