Uitzendwerk

In het artikel van Rients de Boer (voorzitter van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening) in NRC Handelsblad van 10 september zijn enkele onjuiste en achterhaalde cijfers geslopen.

CBA-voorzitter Rients de Boer onderschat de doorstroom van uitzendkrachten naar vaste banen schromelijk: hij spreekt over 35.000 doorstromers. Dit cijfer is echter gebaseerd op het aantal uitzendkrachten dat gemiddeld per dag werkzaam was. Voor een juiste berekening van het aantal doorstromers moet worden gekeken naar het aantal uitzendkrachten op jaarbasis. Volgens een nog niet gepubliceerd onderzoek bemiddelden de uitzendbureaus in 1993 naar schatting 569.000 verschillende uitzendkrachten naar een tijdelijke vacature. 30 procent van deze groep stroomde door naar een vaste baan: 170.000 personen dus. Bijna 90 procent gaf aan dat het verrichten van uitzendwerk van invloed was geweest op het vinden van een vaste baan. Dat plaatst de opmerking van De Boer dat Arbeidsvoorziening zich op een heel ander marktsegment richt, te weten de vacatures voor vaste banen, in een heel ander daglicht.

Een uitzendkracht wordt gemiddeld 1,83 keer per jaar uitgezonden. Een eenvoudig rekensommetje leert dat de uitzendondernemingen samen vorig jaar meer dan 1 miljoen (tijdelijke) vacatures vervulden. Dat het voornamelijk om laag- en ongeschoolden ging, moeten we eveneens tegenspreken. 59 procent van alle uitzendkrachten had een MBO-opleiding of hoger afgerond.

Het uitzendkrachtenbestand werd vorig jaar gevormd door: 6 procent langdurig werklozen (34.000 personen); 9 procent allochtonen (51.000 personen); 4 procent ouderen 45 jaar en ouder (23.000 personen) en 4 procent arbeidsongeschikten (23.000 personen). Met andere woorden: Zo'n 23 procent van de bemiddelde uitzendkrachten behoort tot de zogenaamde doelgroepen. Deze gegevens zijn geschoond van dubbeltellingen. Opvallend is het totaal aantal personen dat voorafgaand aan de uitzendbaan geen werk had: 34 procent.