Staatsbalans verder uit het lood

Dit jaar zijn dertien van de driehonderd bladzijden in de miljoenennota gewijd aan de presentatie van de staatsbalans. Toch krijgt deze opstelling van bezittingen en schulden van de rijksoverheid doorgaans geen enkele aandacht in de vele reacties die de aanbieding van de rijksbegroting jaarlijks op en kort na prinsjesdag oproept. Dat is ten onrechte.

Veel mensen in Nederland maken zich zorgen over de hoge staatsschuld. Wanneer de overheid echter geld leent voor de aankoop van grond en voor de financiering van rendabele investeringen in de infrastructuur, is er eigenlijk weinig reden tot zorg. Ook ondernemingen lenen vaak geld voor de financiering van omvangrijke investeringsprojecten. Veel gezinnen steken zich diep in de schuld voor de aankoop van een eigen huis. Omdat er in al deze gevallen tegenover de aangegane schulden bezittingen staan, maakt niemand zich erg druk over zulke vormen van private schuldfinanciering. Net zoals bij een analyse van de financiële positie van particuliere ondernemingen en gezinnen, moet ook bij een beoordeling van de vermogenspositie van de rijksoverheid niet alleen worden gelet op de hoogte van de staatsschuld, maar moet tevens rekening worden gehouden met de bezittingen van de staat. De overheid heeft immers niet alleen schulden: zij investeert en neemt deel in bedrijven.

Zo is blijkens de staatsbalans in de loop van de jaren een bezit opgebouwd dat eind vorig jaar voor in totaal 358 miljard in de boeken stond. In totaal heeft de Staat van de Nederlandse belastingbetalers nog 32 miljard tegoed. Wegens geleverde prestaties en verstrekte leningen (bij voorbeeld aan studenten en woningbouwverenigingen) heeft het Rijk 74 miljard te vorderen van burgers en bedrijven. Deelnemingen in bedrijven en internationale instellingen prijken voor 79 miljard op de staatsbalans. Roerende en onroerende zaken zijn liefst 145 miljard gulden waard. Het gaat bij voorbeeld om wegen, natuurterreinen, de doorlaatbare Oosterscheldedam en kantoorgebouwen.

Omdat tegenover bezittingen met een gezamenlijke waarde van 358 miljard gulden een totaal aan schulden en verplichtingen staat van 428 miljard, toont de staatsbalans een negatief saldo van 70 miljard gulden. Sinds het begin van de jaren tachtig is de vermogenspositie van de rijksoverheid sterk verslechterd. In 1981 bedroeg het staatsvermogen nog 107 miljard positief. Anders gezegd, in twaalf jaar tijd is de vermogenspositie van de staat met 177 miljard achteruit gegaan. De hoofdoorzaak is dat achtereenvolgende ministers van financiën zich in de schulden hebben gestoken voor de financiering van uitkeringen, salarislasten, allerhande subsidies en rente, waardoor tegenover een stijgende schuld onvoldoende bezit werd opgebouwd. Ook tussen 1992 en 1993 is de staatsbalans weer verder uit het lood geraakt. Een particuliere onderneming zou zo'n dramatische uitholling van het eigen vermogen niet hebben overleefd. Beleggers achten de Staat der Nederlanden evenwel nog steeds een prima debiteur. Zij beseffen dat de Staat - anders dan bedrijven - de burgers in de toekomst hogere belastingen kan opleggen ter dekking van rente en aflossingen op de staatsschuld.

Ondanks de royale aandacht die de miljoenennota aan de vermogenspositie van de Staat schenkt, is de staatsbalans onvolledig. Met name ontbreken posten en bedragen, die betrekking hebben op bepaalde toekomstige baten en lasten voor de rijksoverheid. Op grond van bestaande afspraken ontvangt de overheid thans ongeveer tachtig procent van de jaarlijks door exploitanten van aardgasvelden behaalde winsten. Deze claim van de overheid is 400 tot 500 miljard gulden waard (uitgaande van het huidige prijsniveau en bij een rekenrente van vier procent). Zou minister Zalm deze post alsnog in de staatsbalans opnemen, dan fleurt dat de vermogenspositie van de overheid enorm op. De komende twintig tot dertig jaar zou deze post wel gestaag in betekenis verminderen. Zo zou zichtbaar worden dat Nederland bezig is zijn eindige aardgasvoorraden te verbruiken.

De belangrijkste nu in de staatsbalans ontbrekende lastenpost vloeit voort uit toekomstige AOW-verplichtingen. Onder de bezittingen kan een tegenpost worden opgevoerd voor de huidige waarde van in de toekomst te ontvangen AOW-premies. Omdat het huidige premieniveau in de volgende eeuw ontoereikend is om de AOW van een vergrijzende bevolking te financieren, zou de staatsbalans door het opnemen van beide pensioenposten weer met honderden miljarden verslechteren.

Uitbreiding van de staatsbalans met dit type posten valt ernstig te overwegen. Het gaat immers niet om een hersenschim van overspannen boekhouders, maar om een presentatie die het inzicht in reilen en zeilen van onze economie sterk zou verbeteren.