Sociale zaken en werkgelegenheid

A. Melkert, 25,1 miljard, 2.346 ambtenaren

De uitkeringen gaan volgend jaar niet omhoog. Minister Melkert en staatssecretaris Linschoten hopen dat de loonstijgingen tot één procent beperkt blijven. Zij stellen daar enkele maatregelen voor lastenverlichting tegenover: een verlaging van het belastingtarief in de eerste schijf, een verlaging van de ziekenfondspremie, een verlaging van de belasting speciaal voor ouderen en een verlaging van de WAO-premie.

Zo ontstaat een beeld van de koopkracht waarbij iedereen er globaal 0,25 procent tot 1 procent op achteruitgaat, omdat de prijsstijgingen hoger zijn dan de verwachte loonsverhogingen en het effect van de lastenverlichting. Dit zijn algemene cijfers. Voor bepaalde groepen kan de daling van het inkomen groter zijn. Bijvoorbeeld voor ouders met een bovenmodaal inkomen, die het wegvallen van een aanvullende beurs voor hun studerende kinderen compenseren. Zij leveren nog eens 0,5 tot 2,75 procent aan koopkracht in. Als ze bovendien de verhoging van het collegegeld financieren, kost hun dat 0,25 procent. Maar deze effecten doen zich volgend jaar niet voor als de studerenden kiezen voor een aanvullende lening.

Het inleveren van koopkracht is het offer dat de bewindslieden van Sociale Zaken vragen om de werkgelegenheid te kunnen verbeteren. Ze hopen er in vier jaar 350.000 banen bij te krijgen en treffen daarvoor zelf maatregelen om 40.000 arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen te scheppen in de verzorging, de ouderenzorg, de veiligheid, het openbaar toezicht en de kinderopvang. Dit zijn banen van vier dagen per week met een beloning ter hoogte van het minimumloon of iets meer. Hiervoor trekt het kabinet 1,6 miljard gulden uit, waarvan de eerste 200 miljoen volgend jaar. De helft van deze bedragen komt uit besparingen op werkloosheidsuitkeringen.

Deze maatregelen gaan gepaard met ingrepen in de sociale zekerheid en 'flexibilisering' van de arbeidsmarkt. Zo worden CAO-afspraken over de laagste loonschalen niet meer algemeen verbindend verklaard voor een hele bedrijfstak. Bedrijven mogen dus lagere salarissen dan volgens deze schalen betalen. Bovendien wordt het hun toegestaan voor bepaalde banen en gedurende een bepaalde periode minder dan het wettelijk minimumloon uit te betalen. Ook wordt het ontslagrecht versoepeld, zij het dat een vergunning van het arbeidsbureau wel verplicht blijft.

De bewindslieden denken dat het aantal uitkeringsgerechtigden in vergelijking met het aantal mensen met een baan relatief kleiner zal worden. Nu staan er tegenover 100 werkenden 85 uitkeringsgerechtigden (inclusief AOW'ers), volgend jaar moeten dat er 84,5 zijn.

De maatregelen om de sociale zekerheid te beperken gaan voor een deel volgend jaar in. Dat betreft de verlaging van de kinderbijslag voor 'nieuwe gevallen', strengere voorwaarden voor werklozen om een WW-uitkering te krijgen en de wijzigingen van de algemene bijstandswet, waartoe het vorige kabinet al had besloten. Waarschijnlijk gaan deze wijzigingen, die tot lagere bijstandsuitkeringen kunnen leiden, pas op 1 juli in.

In 1996 zijn aan de orde: de verlaging van de AOW voor nieuwe 65-plussers met een jongere partner, de privatisering van de Ziektewet, de premiedifferentatie in de WAO, de mogelijkheid voor bedrijven om zich particulier tegen arbeidsongeschiktheid te verzekeren, de afschaffing van de boetes voor bedrijven van wie een werknemer in de WAO komt (bo- nus/malusregeling) en de afschaffing van de uitkeringen voor nieuwe weduwen en weduwnaars.