Sociale partners verliezen macht; Tussen PvdA en VVD dreigen spanningen over de belasting

Uit Wim Koks eerste Miljoenennota: “De lagere economische groei kan het hoofd worden geboden door een goede samenwerking tussen de sociale partners en het kabinet.” (sept. 1990).

Uit Koks tweede Miljoenennota: “Klemmend beroep op de sociale partners.” (sept. 1991).

Uit zijn derde Miljoenennota: “Het Kabinet kan het niet alleen af. Goed overleg met de sociale partners is noodzakelijk.” (sept. 1992).

Uit Kok's laatste Miljoenennota als minister van financiën: “Een indringende uitnodiging aan werkgevers en werknemers om samen inhoud te geven aan...” (sept. 1993).

Nu moet Wim Kok verder met Frits Bolkestein in plaats van met de sociale partners. Koks tweede huwelijk mag dan een verstandshuwelijk zijn, dat maakt de voorafgaande scheiding van sociale partners niet minder definitief. De nieuwe minister van financiën, Gerrit Zalm, schreef voor de Miljoenennota van vandaag een voorwoord en een samenvattend hoofdstuk waarin sociale partners voor het eerst in vele jaren totaal ontbreken. Geen klemmend beroep, geen dringende uitnodiging, zelfs geen uitgestoken hand; minister Zalm oordeelt dat in de sociale zekerheid en de CAO-wetgeving “de verdeling van verantwoordelijkheden toe is aan revisie”. Uit het Regeerakkoord wisten we al wat dit betekent: de ziektewet verdwijnt, de bedrijfsverenigingen en het GAK zijn hun beschermde monopolies kwijt en komen onder veel strenger toezicht, en werkgevers mogen geen CAO's meer afsluiten met de vakbonden die in strijd zijn met het beleid van regering en parlement.

De Macroëconomische Verkenning van het Centraal Planbureau toont dezelfde omslag. Vorig jaar nog eindigde minister Andriessen zijn inleidend woord met het zoveelste “zeer dringende beroep op de sociale partners om de lonen niet te laten stijgen.” In de Macroëconomische Verkenning van vandaag concludeert de nieuwe minister Wijers aan het eind van zijn voorwoord dat het tijd is voor “noodzakelijke structurele verbeteringen in onze economie.”

Ook bij Wijers geen woord over werkgevers en vakbonden, laat staan de suggestie dat zonder hun instemming geen sociaal-economisch beleid mogelijk is. Daarmee is dan een duidelijk einde gekomen aan een periode die begon met het akkoord van Wassenaar uit 1982 en het stempel droeg van de CDA'ers Lubbers en De Koning. Bijna twaalf jaar gekenmerkt door een opmerkelijke sociale vrede en een loonstijging lager dan waar ook ter wereld die Nederland een stabiele economische ontwikkeling bezorgden en ertoe bijdroegen dat ons land vorig jaar net aan een recessie wist te ontsnappen. De strategie van Lubbers en De Koning maakte de Nederlandse ambtenaren en uitkeringstrekkers niet minder talrijk, maar wel een stuk goedkoper. Het recept van 1982 is echter niet meer het recept voor 1994, want hoewel Nederland inderdaad veel goedkoper werd, steeg toch voortdurend de werkloosheid onder de laag opgeleiden, nam de criminaliteit schrikbarend toe, en raakte Nederland in Europa steeds verder achterop door een te lage economische dynamiek.

Nederland verschilt van Engeland en Amerika en zoals de OESO terecht concludeert in een recente analyse van de Nederlandse economie: “Hoewel er meer concurrentie moet komen in de arbeidsmarkt en in de economie, hoeft dit niet ten koste te gaan van de Nederlandse 'consensus aanpak' die probeert spanningen en conflicten te vermijden.” Wim Kok is dan ook geen Ronald Reagan die kort na zijn aantreden als president kordaat optrad tegen luchtverkeersleiders die in staking waren gegaan om een hoger loon. Wim Kok is zeker geen Margaret Tatcher die in Engeland consequent weigerde om ook maar een enkele vergadering van de Engelse SER bij te wonen. Premier Kok zal samen met minister Melkert en staatssecretaris Linschoten beleefd gaan koffiedrinken tijdens het aanstaand Najaarsoverleg met werkgevers en vakbonden, maar niettemin heeft hij een duidelijke keuze gemaakt vóór Bolkestein en tegen het delen van de macht met sociale partners. Dát is de voornaamste nieuwe boodschap in de Miljoenennota en Macroëconomische Verkenning van vandaag.

Niettemin betwijfel ik of de heren Rinnooy Kan (voorzitter VNO), Stekelenburg (voorzitter FNV) en Quené (voorzitter SER) wel volledig beseffen dat Wim nu vier jaar vastzit aan Frits en dus niet meer aan hen. SER-voorzitter Queneé schreef onlangs een column in het economenblad Economisch Statistische Berichten onder de titel “Paarse ambities vragen om dialoog.” Op één enkele pagina ziet Quené kans om maar liefst dertien maal in verschillende toonaarden te beweren dat “afstemming met de sociale partners nodig is.” Geheel voorbijziend aan het feit dat de paarse coalitie het reslutaat is van een eerlijke verkiezing op 3 mei, huilt Quené dat regering en parlement geen beleid mogen voeren waar zijn collectie lobbyisten het niet mee eens is. Nergens in zijn artikel heeft Quené concrete bezwaren tegen enig plan van het paarse kabinet, maar hij eist een veto voor zijn SER op het totale sociaal-economisch beleid. Een vorm van corporatisme waar je als democraat van moet gruwen. FNV-voorzitter Stekelenburg is gelukkig correct en stelt: “Met politieke legitimatie mag het dan in orde zijn, je hebt voor doelmatig bestuur toch ook rekening te houden met het draagvlak in de samenleving. Dat is nu voor de paarse coalitie erg broos en als je het maatschappelijk middenveld uitsluit wordt dat niet beter.” (NRC Handelsblad, 25 aug. 1994) Stekelenburgs positie is niet te benijden. Het is ondenkbaar dat VVD en D66 nog vier jaar langer misstanden zullen tolereren zoals de CAO in de grafische sector die werkgevers opdraagt om iedere werknemer te ontslaan die geen contributie betaalt aan de vakbond, of dat vice-premier Dijkstal op Binnenlandse Zaken nog veel langer zal toestaan dat de machtige politievakbonden wel ieder jaar een miljoen gulden belastinggeld ontvangen, maar intussen weigeren om het idiote acht-ploegenstelsel bij de politie te herzien. De vakbeweging moet bovendien een punt zetten achter oude campagnes voor VUT en ATV en wordt verzwakt door aanhoudende conflicten tussen de uitermate conservatieve AbvaKabo en de meer realistische bonden in de marktsector. Zware tijden dus voor Stekelenburg die in Den Haag minder gehoor zal vinden en zijn bonden maar met moeite bijeen kan houden wanneer er inderdaad meer economische vrijheid komt.

Ook werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan lijkt nog gevangen in de oude retoriek. In deze krant beweerde hij over de ambtenarensalarissen in de periode 1994-'98: “Een halve koppeling is nog steeds een halve te veel.” Maar als de leden van zijn VNO het nergens anders over eens kunnen worden dan over het almaar goedkoper maken van de ambtenaren, is het slecht gesteld met de intellectuele durf van die organisatie. Wil het VNO een zinvolle rol blijven spelen onder het nieuwe kabinet, dan zullen werkgevers meer moeten presteren dan uitsluitend aandringen op loonmatiging, loonmatiging en driewerf loonmatiging. Met een zo getalenteerd voorzitter als Alexander Rinnooy Kan zou het VNO in staat moeten zijn om intelligent mee te helpen aan een grotere dynamiek in de economie, ook als dat ten koste gaat van kartels tussen sommige leden-bedrijven. Lukt dat niet en blijft het VNO hameren op loonmatiging en het algemeen verbindend verklaren van CAO's, dan zullen minister Melkert en staatssecreatris Linschoten zelf de hervorming van sociale zekerheid en arbeidsbureaus moeten doorzetten en wordt Rinnooy Kan één lobbyist tussen alle andere vertegenwoordigers van deelbelangen.

Stel nu eens dat het allemaal lukt (wel, niet allemaal, maar tenminste in grote lijnen), en dat premier Kok inderdaad weet uit te buiten wat er kan met Bolkestein en zo nodig zonder Quené, Stekelenburg en Rinnooy Kan. Dan zal het kabinet toch in de eerste plaats een veel overtuigender beleid moeten voeren op het gebied van de belastingen. In de Miljoenennota van vandaag betekent 'lastenverlichting' nog steeds dat werknemers goedkoper worden voor de bedrijven, zodat die meer winst kunnen maken. Dat is echter slechts de helft van het verhaal. Even belangrijk is dat lagere tarieven iedereen uitnodigen om waar mogelijk harder te werken, meer risico te nemen, een eigen zaak te beginnen, of tenminste minder tijd en energie te besteden aan het ontwijken van de knellende belastingdruk. Toen vorig jaar de Engelse oud-minister van financiën Lord Lawson een bezoek bracht aan Rotterdam en debatteerde met Melkert en Bolkestein, gaf hij als voornaamste advies de suggestie van een vierjarenplan voor aanhoudend lagere tarieven in de inkomstenbelasting. Nu delen Melkert en Bolkestein samen in de macht, maar van dat advies is nog bitter weinig terug te vinden in de Miljoenennota. Volgend jaar gaat het tarief in de eerste schijf omlaag met een grandioze 0,9%, terwijl de overige lastenverlichtingen voor een gewone belastingbetaler onbegrijpelijk gecompliceerd zijn. Op dit punt dreigen grote toekomstige spanningen tussen PvdA en VVD. De socialistische bestuurders mogen dan een blinde vlek hebben voor tarieven in de belasting en alleen interesse in de inkomensverdeling, het lijkt mij ondenkbaar dat de liberalen vier jaar lang akkoord gaan met inkomensplaatjes zonder duidelijke en voor iedereen begrijpbare plannen voor de tarieven in de loon- en inkomstenbelasting. In het regeerakkoord is gelukkig goed geregeld dat meevallers in de economische groei zullen neerslaan in een of andere combinatie van lager financieringstekort en lagere belastingen; wat nog ontbreekt is de politieke wil om lagere belastingen te vertalen in een lager tarief en de kiezers wat dat betreft een zonnig toekomstbeeld te schetsen.

Het technische kader van deze Miljoenennota is beter dan in het verleden. Omdat Nederland intussen uit de financiële gevarenzone is, kan minister Zalm nu werken met een afgesproken vierjarenplan voor de uitgaven van het rijk tot 1998 en is het al bijna zeker dat er aanzienlijke meevallers zullen zijn die kunnen leiden tot lagere belastingen. Dat is een superieur kader vergeleken met het systeem van de drie kabinetten Lubbers waarbij een harde afspraak alleen gold voor het financieringstekort en niet voor de uitgaven. Toen destijds in 1988-90 de economische groei meeviel, hielden de ministers onmiddelijk op met bezuinigen op de uitgaven, omdat die hogere economische groei vanzelf al zorgde voor een lager financieringstekort. Nu zwelt dit jaar de economische groei opnieuw aan, met waarschijnlijk een nog hogere groei van 3 procent in 1995, waarmee een herhaling zou dreigen van de grote fouten tijdens Lubbers-II. Gelukkig zit het kabinet echter vast aan een tamelijk bescheiden meerjarenplan voor de uitgaven en blijven alle meevallers beschikbaar voor reductie van het tekort en vooral voor lagere belastingen.

In het regeerakkoord won de PvdA op punten van D66 en VVD, want de cijfertjes leken meer op het verkiezingsprogram van de socialisten dan op de wensen van de andere partijen. Nu blijkt uit de teksten van vandaag dat ook de liberalen tevreden kunnen zijn. De extra economische groei wordt niet verjubeld aan nieuw beleid bij de uitgaven, zodat er echt ruimte komt voor lagere tarieven in de belasting. Bovendien neemt het kabinet heel duidelijk afstand van de kleffe cultuur van het SER-gebouw en lijken minister Melkert en staatssecretaris Linschoten samen groot genoeg om een nieuwe architectuur te ontwerpen voor de uitvoering van de sociale zekerheid en voor de arbeidsbureaus. Vanzelf zal dat allemaal niet gaan en de conservatieve krachten in het middenveld zullen zeker protesteren. Gelukkig heeft premier Kok al in de zomer van 1991 aan het begin van het WAO-debat laten zien over hoeveel politieke karaktervastheid hij kan beschikken. Met zijn eerste eigen kabinet wil hij - gelukkig - algehele kortingen op de sociale uitkeringen voorkomen. Bij een gunstige economische groei kan dat lukken als de premier de nieuwe koers van zijn ministers van financiën, economische zaken en sociale zaken dan ook van harte ondersteunt.E. J. Bomhoff is hoogleraar Financiële Economie aan de Universiteit van Nijenrode en vaste columnist van deze krant.