SOCIALE NOTA; Vrije tijd is ook welvaart

Een minister, A. Melkert, van PvdA-huize en een staatssecretaris, R. Linschoten, van de VVD. Jarenlang waren ze als leden van de Tweede Kamer elkaars opponenten. Nu moeten deze generatiegenoten - hun beider geboortejaar is 1956 - samen ervoor zorgen dat de werkgelegenheid drastisch toeneemt en tegelijkertijd de sociale zekerheid een ingrijpende reorganisatie ondergaat. Als er dus één ministerie is waar de houdbaarheid van de sociaal-liberale coalitie valt te beproeven, dan is het wel Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Minister Melkert zegt: “Het voorkomen van een tweedeling in de maatschappij, van het ontstaan van een onderklasse, dat is het politieke bindmiddel bij uitstek voor deze coalitie.” Staatssecteraris Linschoten meent: “Juist op dit moment is het voor een liberaal politicus zeer interessant om staatssecretaris te zijn, omdat we staan aan de vooravond van de modernisering van de sociale zekerheid. En omdat er binnen de samenleving momenteel een gevoel van urgentie bestaat dat zoiets moet gebeuren.” Hij voegt eraan toe: “Als er bij mij ook maar enig gevoel van wantrouwen was geweest, dan was ik er met deze minister nooit aan begonnen.”

Melkert: “Vanuit verschillende visies hebben we toch overeenstemming over de methodes van aanpak. We doen dat onder een voor ons geruststellend motto: als wij er samen niet uitkomen, dan heeft het hele kabinet een probleem.” Interne tweespalt of verkokering op het departement denkt het sociaal-liberale duo ook op een andere manier te voorkomen: door een herschikking van de portefeuilles hebben alle topambtenaren - de directeuren-generaal - met beide bewindslieden te maken.

Voor een departement dat zoveel jaren vooral met bewindslieden van het CDA (in het bijzonder van AR-huize) van doen heeft gehad, moet het wennen zijn: een niet-confessioneel duo aan de top. Bij het opstellen van de Sociale Nota 1995, het inmiddels traditionele werkstuk waarin het ministerie van sociale zaken het sociaal-economische beleid voor de korte en de langere termijn uitstippelt, was het maar de vraag tot welke koerswijzigingen de nieuwe bewindslieden zouden besluiten. Maar welke politieke accenten het PvdA/VVD-duo ook heeft gelegd, Melkert en Linschoten hameren op hetzelfde aambeeld als ex-minister en CDA'er De Vries: de onverminderde noodzaak tot beperking van de loonstijgingen in de komende jaren, de verwachte economische groei ten spijt. “Loonmatiging”, schrijven de bewindslieden, “heeft onmiskenbaar bijgedragen aan het in stand houden van het economisch en sociaal draagvlak voor aanpassingen van het beleid in een periode van neergang. De komende jaren blijft dit van belang.”

De bewindslieden spreken zelfs hun vrees uit dat door de aantrekkende economie en door de verwachting dat de koopkracht niet verbetert de verleiding voor werknemers extra groot zal zijn de weg van de loonmatiging te verlaten. “Een loon-prijsspiraal zou echter desastreus zijn voor de werkgelegenheidsontwikkeling.”

De loonstijging in Nederland blijft al jaren, eigenlijk al sinds 1975, achter bij de gemiddelde inkomensverbetering in de Westerse landen. Het inkomen per hoofd van de bevolking was van de oude zes EG-landen in Nederland na West-Duitsland in 1970 nog het hoogst. In 1987 was Nederland naar de zesde plaats gezakt (om daarna Groot-Brittannië weer te passeren). Deze achterblijvende welvaartsontwikkeling stuit bij menig econoom op kritiek, met als strekking: de loonmatiging heeft wel banen, maar geen economische groei opgeleverd en pakt uiteindelijk averechts uit.

Het is een conclusie die de nieuwe bewindslieden niet delen. In de Sociale Nota wordt tegengas gegeven tegen deze theorie die aanhang wint. De schrijvers komen tot de slotsom dat noch de loonmatiging, noch de omvang van de collectieve sector, noch de te geringe beroepsbevolking de oorzaak is van de getemporiseerde welvaartsgroei in Nederland. Die valt in hoofdzaak toe te schrijven aan het feit dat Nederlanders gemiddeld steeds korter werken, als gevolg van de arbeidsduurverkorting en de toename van deeltijdarbeid. Per hoofd van de bevolking van 20 tot en met 64 jaar werkt de Nederlander gemiddeld 20 uur per week. Dat is het laagste binnen de Europese Unie, waar het gemiddelde op 24 uur ligt.

De welvaart in Nederland heeft zich dus op een andere manier ontwikkeld. In de Sociale Nota wordt de leus: 'vrije tijd is ook welvaart' opgevoerd. En onder dat motto pleit het ministerie voor een ruimere definitie van het welvaartsbegrip “en wel zo dat ook de hoeveelheid vrije tijd is verdisconteerd”.

Of de politieke ambtsdragers op het departement een dergelijke herdefiniëring van het welvaartsbegrip blijvend voor hun rekening nemen, staat nog te bezien. Blijkens de Sociale Nota hebben ze een ander adagium in elk geval niet opgegeven: iedereen zal werken. “Er is allerminst reden het streven naar volledige werkgelegenheid op te geven.” Minister Melkert gelooft dus niet in de opvatting van bijvoorbeeld zijn partijgenoot en oud-minister M. van Dam, een van de schrijvers van het verkiezingsprogramma van de PvdA, die volledige werkgelegenheid als een illusie beschouwt.

De stelling dat tegenover een uitkering een zekere maatschappelijke plicht voor de ontvanger daarvan hoort te staan, maakt wel steeds meer school. Zij is onderdeel van de strijd tegen de langdurige werkloosheid, die straks moet worden uitgedrukt in de formulering van een 'sociale norm'. En hoewel Melkert zelf zich haast te onderstrepen dat de zogenoemde 'additionele arbeid' - op een of andere wijze gesubsidieerde banen, gewoonlijk in de collectieve sector - slechts het sluitstuk van het beleid kan zijn, is dit daarvan wel een opvallend onderdeel. Dat de VVD en de PvdA elkaar hebben weten te vinden in de opvatting dat uitkeringsgelden moeten worden gebruikt voor het scheppen van werk - bijvoorbeeld in de zorg of in de veiligheid - is markant.

Dat is tevens een van de punten waarop de politieke invloed van de nieuwe bewindslieden op de Sociale Nota zichtbaar is. Die nota lag bij hun aantreden goeddeels klaar, voorbereid door ambtenaren die de laatste jaren nauw hebben samengewerkt met CDA-minister De Vries. Sterker nog: reeds op de tweede dag na zijn aantreden plofte het lijvige werkstuk op het bureau van minister Melkert. Een enkele ambtenaar vreesde even dat, na maanden werk, de prullenbak de volgende bestemming van de nota zou worden. Maar dat viel mee.

Met het regeerakkoord bij de hand lazen de bewindslieden de nota, zonder afbreuk te doen aan de analyses daarin. De flexibilisering van de arbeidsmarkt en de herverdeling van arbeid zijn onderdelen waarop het duo zijn eigen accenten heeft gelegd. Opvallend is verder dat in de nota opnieuw de noodzaak wordt onderstreept het verschil tussen uitkeringen en laagste lonen te vergroten. Dit was een van de stokpaardjes van De Vries. Maar in weerwil van deze analyse is Melkert op dit moment niet van plan verdere stappen te zetten om het werken op deze wijze aantrekkelijker te maken. “Dat hangt samen met de conjunctuur. Als er, zoals nu, weinig vacatures zijn, is het niet zinvol om dat verschil te vergroten. Maar als de conjunctuur zich beter ontwikkelt, heb ik er niks op tegen.”

Behalve het inkomensbeleid, de werkgelegenheid en de flexibilisering van de arbeid neemt uiteraard de sociale zekerheid een gewichtige plaats in de nota in. Het totstandbrengen van de afgesproken bezuinigingen, zo'n slordige negen miljard gulden, ziet staatssecretaris Linschoten als zijn wezenlijke taak, een voorwaarde om de aan burgers en bedrijven beloofde lastenverlichting te kunnen realiseren. “Het gaat niet om minder sociale zekerheid”, zegt Linschoten, “maar om hoe je de sociale zekerheid organiseert. De discussie hoeft dus niet per definitie over hoogte en duur van uitkeringen te gaan”.

De privatisering van de Ziektewet en de gedeeltelijke privatisering van de WAO, de strengere voorwaarden in de WW, de geleidelijke afschaffing van de uitkeringen voor weduwen en weduwnaars, de bezuinigingen op de kinderbijslag, de vernieuwing van de bijstandswet, de beperking van de AOW: het zijn voorgenomen ingrepen die Linschoten aanleiding geven te spreken van “zeer ambitieuze afspraken”. Politiek gevoelig daarbij is de vraag die in de zomer van 1996 aan de orde komt: zijn er verdergaande maatregelen nodig om het aantal WAO'ers verder terug te dringen? Linschoten: “Als dan blijkt dat we alle afspraken van het regeerakkoord op dit punt zijn nagekomen, ben ik tevreden.”