Slachtoffers van incest tevreden over politie

LEIDEN, 20 SEPT. Slachtoffers van seksueel misbruik door verwanten zijn in het algemeen tevreden over de manier waarop de politie hun aangifte behandelt.

Tegelijkertijd hebben ze kritiek op de mate van hulp die tijdens de verdere afwikkeling van de zaak wordt verleend aan de tegenpartij. Incestdaders krijgen meteen na aanhouding hulpverlening van de reclassering aangeboden, terwijl de slachtoffers zelf maar moeten zien van wie ze na hun aangifte hulp kunnen verwachten.

Dit blijkt uit een vandaag gepresenteerd 'belevingsonderzoek' van 42 incestslachtoffers dat is uitgevoerd door de vakgroep Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Leiden. Met het belevingsonderzoek werd een langer lopend onderzoek naar het optreden van rechercheurs van de afdeling jeugdzaken in incestzaken afgesloten. In het eerste onderzoek werden dossiers onderzocht van 101 incestslachtoffers die in de periode 1986 tot en met 1990 aangifte van incest hadden gedaan bij de afdeling Jeugd- en Zedenzaken van het Korps Rijkspolitie, district Den Haag. Het tweede onderzoek heeft betrekking op de jusitiële afhandeling van de incestzaken. De daders zijn in ongeveer tweederde van de gevallen veroordeeld. Gemiddeld kregen zij 15 maanden gevangenisstraf voor het gepleegde delict. Ongeveer een kwart van de gevallen werd geseponeerd of eindigde in vrijspraak.

In het derde, zogenoemde belevingsonderzoek, is het handelen van de politie in kaart gebracht door middel van vraaggesprekken met incestslachtoffers. Van de 101 slachtoffers die aangifte hadden gedaan wilden 42 meewerken aan het laatste deel van het onderzoek. Het is de eerste keer dat zo veel slachtoffers wilden praten over hun ervaringen.

Volgens de onderzoekers vormt angst niet geloofd te worden de grootste barrière om te praten over incest of daarvan aangifte te doen. Bijna alle geïnterviewden zeggen het meest op te zien tegen het 'ongeloof' over hun verhaal door de omgeving. Slachtoffers deden uiteindelijk toch aangifte omdat zij het huis, en daarmee het misbruik, konden ontvluchten of uit vrees dat broertjes en zusjes de volgende slachtoffers zouden kunnen zijn.

De kritiek die de ondervraagde slachtoffers uitten betrof vooral de houding van politie en justitie jegens de daders. Deze jaloezie is volgens de onderzoekers begrijpelijk omdat de machtsverhouding binnnen een incestrelatie na de aangifte gehandhaafd dan wel versterkt lijkt te worden. De daders zijn de vragende partij, de slachtoffers moeten afwachten. De politie heeft geen tijd meer en justitie houdt haar mond over wat er gaat gebeuren en hoe de zaken ervoor staan.

De waardering voor de politie loopt na de aangifte terug. Volgens de voorzitter van de Algemene Christelijke Politiebond (PCB), H. Kruisinga, heeft dat te maken met het feit dat de politie zich na de aangifte moet richten op het eigenlijke recherchewerk: het opsporen van feiten. De hulpverlening aan de slachtoffers schiet er volgens hem dan wel eens bij in. “De politie”, stelt Kruisinga “staat voor de eerste klap maar daarna moeten andere instanties het overnemen.”