ONDERWIJS, CULTUUR en WETENSCHAPPEN

J.M.M. Ritzen, 34,2 miljard, 2.091 ambtenaren

De felle protesten van universiteiten en hogescholen tegen de bezuinigingsplannen op het hoger onderwijs hebben hun vruchten afgeworpen. Naar het leeuwedeel van de bezuiniging op het hoger onderwijs uit het regeerakkoord (1995: 45 miljoen, 1998: 435 miljoen) laatminister Ritzen een onafhankelijk “technisch onderzoek” uitvoeren. Voorlopig kort hij de rijksbijdrage aan universiteiten en hogescholen in 1995 met slechts 35 miljoen gulden, oplopend tot 65 miljoen gulden in 1998. Eventueel afstel van de overgebleven bezuiniging sluit de bewindsman niet uit.“Wellicht is er sprake van het onmogelijke”, aldus Ritzen in een toelichting. “Als het mes van plastic blijkt, kan het alsnog met de vuilnisman mee.”

Voor de stelselherziening van het hoger onderwijs kondigen de bewindslieden een discussie met betrokkenen aan, waarvoor ze “geen blauwdruk, doch uitgangspunten” zullen formuleren. Volgens staatssecretaris A. Nuis (“Ik ben de projectmanager”) moet in ieder geval de gemiddelde cursusduur omlaag in een “gedifferentieerd stelsel met een selectiemoment”.

In 1995 moet Onderwijs 1,14 miljard gulden bezuinigen. Dat probeert de bewindsman op te vangen door “een nieuw evenwicht in verantwoordelijkheden tussen burger en overheid te creëeren”. Met een extra bijdrage uit de schatkist van 532 miljoen worden tegenvallers gecompenseerd zoals het stijgende leerlingental, waarvan 114,8 miljoen rechtstreeks is bestemd voor het middelbaar-beroepsonderwijs en het leerlingwezen. Zelf neemt Onderwijs 609 miljoen gulden aan bezuinigingen voor zijn rekening: 154 miljoen op het eigen departement, 58 miljoen op de volwasseneneducatie en het basis- en voortgezet onderwijs en 94 miljoen op de arbeidsvoorwaarden. Het grootste bedrag bezuinigt Ritzen opstudiefinanciering (220 miljoen in 1995 oplopend tot 985 miljoen in 1998), onder meer door in het hoger onderwijs volgend jaar de zogeheten prestatiebeurs te introduceren voor studenten die dan aan hun studie beginnen. Deze beurs duurt een jaar korter dan de huidige beurs. Eveneens wordt per 1 september 1995 de maximale aanvullende beurs voor studenten aan hogescholen verlaagd tot het niveau zoals het geldt aan de universiteiten.

Het basis- en voortgezet onderwijs worden grotendeels ontzien. Voor de leraar trekt het kabinet-Kok extra geld uit: 35 miljoen extra voor kwaliteitsverbetering van het leraarschap en per 1 augustus structureel 9 miljoen voor de lerarenopleidingen.

De sector cultuur hangt een korting boven het hoofd van in totaal 22,4 miljoen gulden, maar daar staat 15 miljoen gulden tegenover voor 'beleidsintensiveringen'. Daarmee wil staatssecretaris Nuis (cultuur) het 'leeuwedeel' van de kortingen bij de fondsen ongedaan maken. De bewindslieden gaan ervan uit dat cultuur er deze kabinetsperiode per saldo geld bij krijgt. Nuis laat het komende jaar een 'bedrijfstak-analyse' voor de podiumkunsten uitvoeren. Dat onderzoek moet bouwstenen leveren voor het nieuwe Kunstenplan, dat in 1997 moet ingaan. Over de opzet van de analyse, die in samenwerking met de podiumsector wordt uitgevoerd, licht Nuis binnenkort de Tweede Kamer in.