Nieuwe kastenstrijd in India

Vorige week donderdag stak een student in de Indiase deelstaat Uttar Pradesh, zichzelf in brand uit protest tegen nieuwe regeringsplannen voor het reserveren van overheidsbanen voor leden van de laagste kasten. De student overleefde, maar de plannen gaan door. Met het oog op deelstaatverkiezingen proberen politici elkaar te overtreffen in gulheid jegens achtergebleven kasten.

NEW DELHI, 20 SEPT. De flamboyante premier van de Zuidindiase deelstaat Tamil Nadu, Jayalalitha Jayaram, gaf enkele maanden geleden de aanzet voor een curieuze wedloop. Voortaan zou 69 procent van de banen en studieplaatsen bij de overheid voor achtergebleven kasten worden gereserveerd, besliste ze. De centrale regering legde Jayalalitha geen strobreed in de weg.

In het naburige Karnataka ging men in juli een stap verder. De plaatselijke machthebbers besloten er niet minder dan 80 procent van de plaatsen vrij te houden voor deze groepen. De volkrijke, maar straatarme deelstaat Bihar in het noorden overweegt nu een zelfde quotum in te voeren. Ook in andere deelstaten wemelt het van de plannen om meer plaatsen voor 'armen' te reserveren. In Uttar Pradesh, met zijn gigantische bevolking van ruim 145 miljoen hebben de plannen de afgelopen weken al tot bloedige rellen geleid, waarbij verscheidene doden vielen.

De centrale regering van premier Narasimha Rao is niet gelukkig met de trend, maar omdat er deze herfst en winter in veel deelstaten verkiezingen worden gehouden heeft ze niet het lef tegen te sputteren. Ook de oppositiepartijen piekeren er niet over zich voor de verkiezingen bij grote groepen in de samenleving impopulair te maken. In roerende eensgezindheid hebben alle partijen in New Delhi er voor gezorgd dat er een amendement op de constitutie werd aangenomen dat de uitbreidingen van de reserveringen wettigt.

Dat veel van deze maatregelen op gespannen voet staan met andere artikelen van de Indiase grondwet en lijnrecht ingaan tegen een uitspraak van het Indiase Hooggerechtshof van twee jaar geleden, lijkt de politici niet te deren. Per slot van rekening weegt bij verkiezingen het oordeel van de kiezer zwaarder dan dat van enkele heren in toga's.

“Het kaliber van de politici in het land heeft het dieptepunt aller tijden bereikt,” foeterde de bejaarde en zeer gerespecteerde jurist Nani Palkhivala vorige week in The Times of India. “Het intellectuele pygmeeëndom viert hoogtij.” Volgens hem vormen de jongste stappen een regelrechte aanslag op de constitutie.

Palkhivala is niet de enige in India die zich ergert aan de opstelling van de politici. Veel mensen van de hogere kasten zien er een bedreiging in van hun positie. Vorige week donderdag liep een student in de stad Bareilly, in Uttar Pradesh, ernstige verwondingen op, nadat hij uit protest tegen de reserveringsplannen zichzelf in brand had gestoken.

Een herhaling dreigt van de dramatische taferelen van vier jaar geleden, toen tientallen jongeren van de hogere kasten zich verbrandden uit onvrede met plannen voor hoge quota voor achtergebleven groepen op de universiteit. Hierdoor maakten alleen briljante studenten uit de hogere kasten nog kans op een plaats op de universiteit, terwijl zeer middelmatige jongeren uit achtergebleven kasten wel aan bod kwamen.

Er staan bij de toewijzing van banen en studieplaatsen grote belangen op het spel voor miljoenen Indiërs. Zonder goed onderwijs kunnen ze een serieuze baan wel vergeten. Onderwijs brengt bovendien status met zich mee en mannen kunnen er een hogere bruidsschat bij hun schoonfamilie door bedingen. De banen bij de overheid zijn vanouds geliefd omdat er niet hard hoeft te worden gewerkt en er wel een pensioen en andere sociale voorzieningen mee gepaard gaan.

Al tientallen jaren kent India een traditie van positieve discriminatie van achtergebleven groepen. Reeds onder het Britse koloniale gezag was hiermee een begin gemaakt. De bedoeling was de diepe kloof tussen de honderden miljoenen armsten en de welgestelde bovenlaag, meestal de hogere kasten, te versmallen.

Zo is er een ingewikkeld bestel in het leven geroepen om kansarme groepen meer mogelijkheden op een beter bestaan te bieden. Er bestaan allerlei quota. Sommige voor geclassificeerde kasten en stammen, SC's en ST's in het Indiase jargon, andere voor een categorie die wordt aangeduid als 'andere achtergebleven klassen', OBC's genaamd. Daartoe behoren de kastelozen en arme niet-hindoe's. Deze hoofdgroepen zijn weer onderverdeeld in een eindeloze hoeveelheid sub-groepen.

Omdat het in de meeste gevallen om omvangrijke aantallen gaat, hebben politici in het verleden dikwijls de verleiding niet kunnen weerstaan de reserveringen voor hun eigen doeleinden te gebruiken. Het was een makkelijke manier om stemmen te winnen. Zo groeide het aantal gereserveerde plaatsen en banen gestadig, in sommige staten tot boven de vijftig procent. Twee jaar geleden besliste het Hooggerechtshof echter dat het gereserveerde deel van banen en studieplaatsen in totaal niet hoger dan vijftig procent mocht zijn.

Hoewel de reserveringen op papier soms billijk klinken, kleven er in de praktijk talrijke bezwaren aan. Onderzoek in Tamil Nadu wees uit dat van de 222 geregistreerde OBC's een elite van slechts 34 er steeds in slaagde driekwart van de voor OBC's gereserveerde plaatsen in te pikken. Ook in andere deelstaten is dit een bekend patroon. Binnen een bepaalde kaste zijn het vaak steeds dezelfde, beter gesitueerde families die met de buit gaan strijken.

Niet zelden zijn de kasten die er uiteindelijk met de banen en studieplaatsen vandoor gaan, bovendien helemaal geen achtergebleven groepen. Veel kasten gebruiken hun invloed bij de machthebbers handig om, ten onrechte, als 'achtergebleven' te worden ingedeeld. “Het resultaat is dat de werkelijk zwakkere groepen niet profiteren van de positieve discriminatie”, constateerde een criticus onlangs in de Economic and Political Weekly.

Nergens is dit duidelijker dan in Karnataka. Twee kasten, die er al zeer lang de toon aangeven, de Vokkaliga's en de Lingayats, stribbelden net zo lang tegen tot premier Veerappa Moily hen ook aanwees als een achtergebleven groep. Dit terwijl een officiële commissie niet lang te voren uitdrukkelijk had vastgesteld dat geen van beide kasten voor dat predikaat in aanmerking kwam.

Het schrijnendst bleek de willekeur van de regering van Karnataka echter bij de indeling van achtergebleven beroepsgroepen, een nieuw categorie die door Moily werd toegevoegd aan het toch al ingewikkelde stelsel van positieve discriminatie. Tot veler verbazing worden tot de achtergebleven beroepsgroepen ook gerekend advocaten, artsen, accountants, tandartsen, ingenieurs en architecten. Lobbywerk van de betrokkenen was hieraan niet vreemd.

Hierdoor hoeven de leden van deze doorgaans ook in India bevoorrechte beroepsgroepen niet hun toevlucht te nemen tot de vernederende weg die een vrouw van een hogere kaste in de zuidelijke staat Kerala koos. Om zich te verzekeren van een studieplaats op een medische faculteit voor haar zoon, vertelde ze de rechter dat die in werkelijkheid was voortgekomen uit een buitenechtelijke relatie met een kasteloze.

Een veelgehoord bezwaar tegen de talrijke reserveringen is dat deze middelmatigheid in de hand werken. Niet de kwalificaties geven de doorslag maar de vraag tot welke kaste of klasse een persoon toevallig behoort. Het toch al matige niveau van de ambtenaren heeft er onder te lijden. Veelbelovende jongeren zien intussen de weg geblokeerd tot de studie die ze graag zouden willen doen. Ze trekken naar elders of, als ze het zich kunnen veroorloven, naar een particuliere universiteit.

De politici kennen al deze bezwaren ook, maar zolang ze met de reserveringen goede sier bij het electoraat kunnen maken bekommeren ze zich niet al te zeer om de praktische gevolgen van hun daden. Zoals wel vaker in vragen van nationaal belang is het aan de rechters van het Hooggerechtshof om uit te maken of de reserveringsquota constitutioneel nog door de beugel kunnen. Naar verwachting zullen de rechters zich echter niet voor de verkiezingen over de kwestie uitspreken. Als het oordeel negatief uitvalt, kunnen de politici de kiezers altijd voorhouden dat het niet hun schuld is dat het feest voor de achtergebleven groepen of wat daarvoor doorgaat voorlopig voorbij is.