MACRO-ECONOMISCHE VERKENNINGEN; Wind waait uit een gunstige hoek

De Macro-Economische Verkenningen (MEV) stralen groot optimisme uit. In een half jaar tijd zijn de verwachtingen van de economische groei voor 1994 verdubbeld en voor volgend jaar zijn de vooruitzichten nog rooskleuriger. “Een groei van 3 procent ligt in het verschiet”, zo schrijft minister Wijers (economische zaken) in het voorwoord van zijn begroting.

De groei is voor het leeuwedeel te danken aan de aantrekkende wereldhandel. Afgeslankte bedrijven, die de afgelopen jaren alle kaarten hebben gezet op grotere efficiëntie en kostenmatiging, worden nu meegezogen in het internationale herstel. De winsten verbeteren, het aandeel van de arbeidsinkomens in het nationale inkomen kan volgens het Centraal Planbureau (CPB) daardoor weer met 2 procentpunten dalen na jarenlang te zijn gestegen en de produktiviteisgroei wordt gekenschetst als “stevig”.

Dit drievoudige succes leidt echter niet tot hogere koopkracht voor de burgers. Het CPB veronderstelt een sterkere loonmatiging dan een half jaar geleden in het Centraal Economisch Plan nog werd voorzien. Toen werd voor 1995 nog gerekend op een contractloon dat 1,5 procent hoger zou zijn. Dit is nu bijgesteld naar 1 procent. Opvallend omdat de winsten sindsdien flink toenemen en het CPB de groeiverwachtingen naar boven heeft bijgesteld.

Het naar beneden bijstellen van de verwachte loonstijging heeft te maken met de veronderstellingen van het kabinet omtrent het te voeren beleid. Het CPB dient daarmee bij het opstellen van de MEV rekening te houden. Welnu, het kabinet heeft besloten 1,8 miljard gulden te bezuinigen bij het overheidspersoneel en de uitkeringen in 1995 niet te koppelen aan de stijging van de CAO-lonen. Als na de winsten ook de lonen exploderen, heeft het kabinet een probleem. Ambtenaren zullen meer salaris vragen en de druk om ook de uitkeringen te verhogen zal toenemen. Vandaar dat het kabinet uitgaat van een gematigde loonstijging van 1 procent. Of dit realistisch is, is de vraag. De grootste vakcentrale, de FNV, heeft haar looneis als gevolg van de aantrekkende economie naar boven bijgesteld tot maximaal 2,25 procent. Het CPB houdt intussen wel rekening met een hogere loonstijging dan 1 procent. Mochten de contractlonen gemiddeld met 2,25 procent stijgen dan betekent dit volgens het CPB dat het werkgelegenheidsherstel 7.500 personen lager uitvalt.

Ondanks de veronderstelde gematigde loonontwikkeling neemt de particuliere consumptie in 1995 met 1,75 procent toe. Dit herstel vloeit voort uit lagere besparingen en “reële groei van het overgedragen winstinkomen”. Particuliere aandeelhouders, directeur-eigenaren en beleggers consumeren met andere woorden meer.

De toonzetting van de MEV is gematigd; een half jaar geleden zette het CPB zich nog sterk af tegen de incidentele dekkingen van het financieringstekort door toenmalig minister van financiën Kok en de veronderstelde positieve effecten van de door het vorige kabinet genomen WAO-maatregelen. In maart schreef het CPB onder leiding van Zalm, de huidige minister van financiën: “Door allerlei maatregelen die het financieringstekort niet duurzaam beïnvloeden, zoals verkoop van staatsbezit en versnelde inning van belastingen en het schuiven met de rijksbijdragen aan het AKW-fonds, gaat het zicht op de onderliggende ontwikkeling van het financieringstekort van het rijk verloren”. Het CPB verwachtte toen dat in 1994 met dit soort “incidentele dekkingen” 1,6 procent van het netto nationaal inkomen ofwel ruim 8 miljard gulden gemoeid zou zijn.

Volgens de MEV is de situatie in een half jaar tijd flink verslechterd. De incidentele dekking bedraagt dit jaar volgens de MEV 1,9 procent van het bruto binnenlands produkt. En daar dit bruto binnenlands produkt zo'n 70 miljard gulden hoger is dan het nationaal inkomen gaat het nu niet om ruim 8 maar om meer dan 11 miljard gulden. Omgerekend naar het nationaal inkomen komt de incidentele dekking van het financieringstekort volgens de MEV in 1994 uit op ruim 2,1 procent. Dat is 0,5 procentpunt van het nationaal inkomen meer dan een half jaar geleden nog werd verondersteld.

Vooral het tafelzilver ging grif van de hand. Zo ging KPN naar de beurs en verkocht de staat ING-aandelen en HBO-schoolgebouwen. “Van 1993 op 1994 vertoont het voor incidentele factoren geschoonde financieringstekort een belangrijke stijging”, schrijft het CPB onder leiding van plaatsvervangend-directeur H. Don nu. “Dat geldt ook voor het vorderingentekort van de collectieve sector, dat als criterium wordt gehanteerd voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU)”. In Europa wordt niet het financieringstekort van het rijk, maar het zogeheten vorderingentekort als financiële maatstaf voor het beheer van de overheidsfinanciën gehanteerd. Daarbij wordt het financieringstekort onder meer verhoogd met het financieringstekort van de lagere overheden, de verkoop van staatsbezit en het tekort van de sociale fondsen.

Voor 1998 is volgens het CPB echter “nauwelijks incidentele dekking voorzien, zodat het vorderingentekort voor de collectieve sector tussen 1994 en 1998 met 2 procentpunt wordt teruggedrongen tot circa 2,3 procent BBP”. Daarmee wordt volgens het CPB voldaan aan de EMU-norm van ten hoogste 3 procent voor het vorderingentekort. De voorgenomen tekortreductie is bij een economische groei van gemiddeld 2 procent per jaar “echter nog onvoldoende om de schuldquote te doen dalen”. Voor de schuldquote geldt een EMU-referentie-waarde van 60 procent; op dit moment schommelt de quote rond de 80 procent.

Een half jaar geleden voorspelde het CPB nog een “hernieuwde toename van het aantal arbeidsongeschikten”. Het Planbureau zag nog geen positieve effecten van de herkeuringen; dat leverde toen felle kritiek op van het kabinet; met name van toenmalig staatssecretaris Wallage van sociale zaken. Nu wordt het mea culpa over de eerdere bevindingen uitgesproken. “In 1993”, schrijft het CPB in de MEV, “leek het aantal nieuwe toekenningen van WAO-uitkeringen weer te stijgen na een daling in 1991 en 1992. De cijfers over het eerste halfjaar van 1994 bevestigen deze omslag niet. Wederom blijkt de instroom af te nemen met bijna 8000 uitkeringen tot 44.300 nieuwe arbeidsongeschikten. In hoeverre deze gunstige ontwikkeling door de strengere keuring dan wel door de uitkeringsverlaging wordt veroorzaakt kan momenteel niet exact worden vastgesteld. Maar een bijdrage van de strengere keuring lijkt aannemelijk”. Het totale aantal uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid stijgt van 1994 op 1995 van 944.000 tot 948.000.

In de Macro Economische Verkenningen, die elk jaar de Miljoenennota vergezellen, herroept het CPB drie verwachtingen die precies een half jaar geleden werden uitgesproken. De loonstijging valt in 1995 volgens de jongste inzichten van het Planbureau lager uit, evenals het aantal nieuwe arbeidsongeschikten. De incidentele dekking van het financieringstekort komt in 1994 bijna 3 miljard gulden hoger uit dan een half jaar geleden nog werd verwacht. Het CPB laat doorschemeren dat het vraagtekens zet bij de bezuinigingsplannen van het kabinet-Kok en daarmee ook bij de tot stand koming van een structureel lager financieringstekort. “Het zal standvastigheid vergen”, schrijft het CPB, “om vast te houden aan de vereiste budgetdiscipline tegenover de meevallers die dankzij de behoedzame uitgangspunten kunnen worden verwacht”.