Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zaken

J.J.C. Voorhoeve, 300 miljoen, 81 ambtenaren

In de komende kabinetsperiode wil Nederland de discussies over de nieuwe staatkundige verhoudingen met de Nederlandse Antillen en Aruba afronden.

De afgelopen periode is duidelijk geworden dat niet langer wordt gestreefd naar onafhankelijkheid van de overzeese gebiedsdelen. In dat licht wordt de ingangsdatum van de zogeheten Status Aparte voor Aruba beschouwd als de afsluiting van die periode. Tegelijkertijd is dit, zo schrijft minister Voorhoeve (koninkrijkszaken), in de memorie van toelichting bij zijn begroting, het begin naar een geleidelijke overgang in het heersende denken over de relatie tussen Nederland en de overzeese rijksdelen.

Uitgangspunt is nu een “blijvende relatie waarbinnen de Caraïbische delen van het Koninkrijk de eigen verantwoordelijkheid in autonomie moeten kunnen waarmaken, terwijl het Koninkrijk vooral een waarborgfunctie vervult”. Een concreet gevolg hiervan is het besluit, vorige week vrijdag van de rijksministerraad, om per 30 september het zogeheten Hoger Toezicht over het eilandgebied St. Maarten over te dragen aan de regering van de Nederlandse Antillen. Twee jaar geleden waren bestuurlijke wantoestanden op dit eiland aanleiding voor de toenmalig minister van koninkrijkszaken, Hirsch Ballin, om zelf het bestuur van St. Maarten ter hand te nemen.

De Nederlandse Antillen en Aruba hebben afgesproken ingrijpende financiële saneringen door te voeren. Nederland zal daarbij helpen door meer deskundigheid ter beschikking te stellen. Van het aanvullen van gebleken tekorten, zoals vroeger gebruikelijk was, zal geen sprake meer zijn. Nederland zal tevens ondersteuning bieden bij de verbetering van het openbaar bestuur.

De rechtshandhaving in de overzeese rijksdelen blijft ook een punt van aandacht. Nederland zal meewerken aan de verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba tegen “criminele invloeden van buiten”, onder meer door de oprichting van een gezamenlijke kustwacht.