Japan moet zetel in de V-raad eerst verdienen

Op zaterdag 10 september meldde de correspondent van NRC Handelsblad in Tokio dat 'Japan nog deze maand de Verenigde Naties officieel zal verzoeken om een permanente zetel in de Veiligheidsraad'. Hoewel reeds lange tijd geruchten van die strekking in de pers zijn verschenen, is het nu, kennelijk, dan toch menens: Japan wil een krachtiger politieke positie in de wereld en vindt daarbij de huidige secretaris-generaal van de Verenigde Naties niet tegenover zich. En er zijn meer voorstanders te vinden voor zo'n 'bevordering' van Japan. Tijdens zijn toespraak 'Welke toekomst voor het Nederlands Buitenlands Beleid' op 17 september 1992, wees de toenmalige minister van buitenlandse zaken Van den Broek erop dat, als er sprake zou zijn van een wijziging dan wel aanvulling van het aantal permanente leden van de Veiligheidsraad, Duitsland en Japan uit het oogpunt van representativiteit voor zo'n permanente zetel in aanmerking zouden komen. Wat moet men hiervan denken?

De preambule van het Handvest van de Verenigde Naties zegt onomwonden dat de volkeren van die organisatie vastbesloten zijn om de komende generaties te vrijwaren van de 'scourge of war' (de gesel der oorlog) die ten tijde van de opstelling van het Handvest reeds tweemaal de mensheid had getroffen. Het is goed zich te bedenken dat het met name Duitsland en Japan zijn geweest die, als de agressieve oorlogvoerenden, in ieder geval gedurende de Tweede Wereldoorlog, die 'scourge of war' over de mensheid hebben uitgestrooid. Wat Duitsland betreft, de naoorlogse Duitse regeringen hebben verschillende malen en op verschillende wijzen getoond de verantwoordelijkheid voor dat verleden niet te ontlopen. De Duitse Grondwet van 23 mei 1949 sluit de erkenning van de waarden en vrijheden van de mens en van de gerechtigheid, alsmede de begrenzing der politieke macht nadrukkelijk in. De roep om gerechtigheid is in het Duitse taalgebruik verwoord in 'Wiedergutmachung'. Een en ander heeft geleid tot de wetgeving terzake van herstel- c.q. reparatiebetalingen aan slachtoffers van het Duitse Rijk, terwijl daarnaast oorlogmisdadigers zijn (en worden) vervolgd.

Hoe anders ligt deze kwestie in Japan. Japan kent wetgeving ten aanzien van reparatiebetalingen aan oorlogsslachtoffers, maar in de toepassing daarvan worden speciale criteria aangelegd. Zo krijgen deze slachtoffers van de Japanse overheid alleen dan (financiële) reparatie als zij (a) ten tijde van het ondergaan van de schade de Japanse nationaliteit bezaten en (b) als zij lichamelijk gekwetst zijn tot in de derde (of hogere) graad. Die derde graad houdt onder andere in dat men het gebruik van ten minste één lichaamsdeel heeft verloren, waarbij het verlies van slechts één vinger onvoldoende is. Over geestelijke schade wordt niet gesproken. Maar daarnaast - en dat wringt wellicht erger - Japan heeft tot op de dag van vandaag nog geen enkele Japanse oorlogsmisdadiger vervolgd of gestraft. Het Internationale Militaire Tribunaal Verre Oosten heeft, in 1948, ruim twintig verdachten van misdrijven tegen de vrede veroordeeld, maar de vele oorlogsmisdadigers die in China, Korea, de Filippijnen, (het voormalige) Malakka en Nederlands Indië hun misdrijven hebben begaan, gaan nog steeds vrijuit.

In dit verband is het interessant te lezen wat prof. Theo van Boven in zijn - in opdracht van de Verenigde Naties - in 1993 voltooide studie over compensatie en reparatie voor slachtoffers van schendingen van de rechten van de mens heeft geschreven. 'Every state has a duty to make reparations in case of a breach of the obligation under international law to respect and to ensure respect for human rights and fundamental freedoms.' Onder de internationaal rechtelijke verplichting om respect voor de rechten van de mens zeker te stellen wordt tevens verstaan de plicht (a) dergelijke schendingen tegen te gaan alsmede (b) plegers van dergelijke schendingen te vervolgen. Dit laatste wordt door Van Boven, die zich daarbij beroept op het gebruikelijke internationale recht, als volgt nog eens beklemtoond: 'States shall ensure that no person who may be responsible for gross violations of human rights shall have immunity from liability for their actions.'

Op 2 september van dit jaar gaf de Internationale Commissie van Juristen (ICJ), een non-gouvernementele organisatie te Genève, een persommuniqué uit, waarin melding wordt gemaakt van een in 1993 door de ICJ naar de Filippijnen, Zuid- en Noord-Korea en Japan uitgezonden delegatie. Deze had tot taak een nader onderzoek te verrichten naar de huidige omstandigheden der tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanse (militaire) autoriteiten tot prostitutie gedwongen vrouwen. Hoewel de Japanse regering op 31 augustus heeft aangekondigd een tien-jarenprogramma tot een bedrag van $ 1 miljard te willen aanvangen, als 'symbolische' compensatie voor de nu nog levende slachtoffers van deze categorie, adviseert de ICJ anders. De Filippijnen en (Zuid-)Korea dienen zich ten spoedigste te wenden tot het Internationale Hof van Justitie om de verdragen, welke deze landen met Japan hebben afgesloten ter leniging van de bestaande problemen, te laten herbezien. Het rapport van de delegatie van het ICJ zal in oktober worden gepubliceerd.

Dit alles overwegende lijkt het door Van den Broek gehanteerde argument, representativiteit, om onder andere Japan een permanente zetel in de Veiligheidsraad te gunnen, weinig doorslaggevend. Eerst nadat Japan getoond heeft zich verantwoordelijk te tonen voor zijn verleden, komt zo'n argument voor overweging onder de aandacht.