Inkomsten, uitgaven, belasting, premies

De uitgaven van het rijk bedragen volgend jaar 197,7 miljard gulden. Het rijk incasseert 179,1 miljard gulden, zodat er een financieringstekort is van 18,6 miljard gulden. Volgens het ministerie van financiën bedraagt het tekort 3 procent, volgens het Centraal Planbureau 3,4 procent.

De schuld van de staat loopt op met 27,8 miljard gulden tot 402.457.000.000 gulden (ruim 402 miljard). Omgerekend is dat ongeveer 25.000 gulden per Nederlander.

De jaarlijkse rentebetalingen over de staatsschuld bedragen 28 miljard gulden. Zij vormen de op een na grootste uitgavenpost. Alleen het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen geeft zes miljard meer uit.

De economische groei wordt op 3 procent geraamd, waardoor het bruto binnenlands produkt (BBP) op 626.350.000.000 (ruim 626 miljard) gulden uitkomt.

De collectieve lastendruk (de optelsom van belastingen en premies) daalt als percentage van het BBP van 47,2 naar 46,1 procent.

De werkloosheid stijgt niet verder, omdat de groei van de werkgelegenheid ongeveer net zo groot zal zijn als de groei van de beroepsbevolking (75.000 personen).

De belastingbetaler moet over een jaarinkomen van 44.349 gulden per jaar 37,65 procent aan belasting en premies voor volksverzekeringen betalen, dat is een verlaging met bijna een half procentpunt. Over de volgende 44.349 gulden moet hij 50 procent belasting betalen en een tarief van 60 procent geldt voor het inkomen boven de 88.698 gulden. De inflatiecorrectie op de belastingschijven wordt voor het eerst sinds drie jaar volledig toegepast.

Ouderen met een inkomen beneden de 50.423 gulden gulden krijgen een speciale aftrek in de inkomstenbelasting. Hun belastingvrije som gaat met 475 gulden omhoog. Voor echtparen geldt deze aftrek per persoon, zolang hun individuele inkomen beneden de inkomensgrens blijft.

De prijzen stijgen volgend jaar naar verwachting met 2,75 procent.

Het kabinet denkt dat de lonen met 1 procent omhoog gaan.

De sociale uitkeringen, waaronder de kinderbijslag en de AOW, gaan niet omhoog, zij zijn 'bevroren'.

De koopkracht gaat voor de meeste burgers op grond van de prognoses en de maatregelen naar verwachting achteruit. De teruggang ziet er globaal als volgt uit: sociale minima onder de 65: 1 procent; sociale minima boven de 65: 0,25 procent; minimumloners met kinderen: 1 procent; inkomens net boven het minimloon (met kinderen): 0,5 procent; modale inkomens met kinderen: 0,25 procent; twee maal modaal met kinderen: 1 procent.

De teruggang is groter voor groepen die bijvoorbeeld door de verlaging van de studiebeurzen of kortingen op de huursubsidie worden getroffen.

De kinderbijslag wordt gewijzigd. Zo gaat het bedrag per kind voor gezinnen met meer dan twee kinderen niet meer omhoog. Dit geldt alleen wanneer het derde kind (of vierde, of vijfde, enzovoorts) volgend jaar of later geboren wordt.

Weduwen en weduwnaars die na 1 januari 1945 zijn geboren en geen kinderen hebben, krijgen geen uitkering meer. Dit geldt alleen voor degenen die volgend jaar (of later) weduwe of weduwnaar worden.

Werknemers die worden ontslagen, krijgen minder snel WW. Zij moeten van de laatste 39 weken er 26 hebben gewerkt in vier van de laatste vijf jaar, om een uitkering te krijgen die aan hun loon is gerelateerd. Wie alleen aan de 'wekeneis' voldoet, krijgt een WW-uitkering van 70 procent van het minimumloon gedurende een half jaar.

De WAO-premie gaat naar schatting omlaag van 10,6 naar 9,4 procent, de twee werkloosheidpremies voor werknemers stijgen samen gemiddeld van 2,35 naar 2,55 procent. De overhevelingstoeslag die de werkgever aan de werknemer betaalt gaat van 11,6 procent omhoog naar 11,75 procent.

Over de eerste 14.000 gulden loon hoeven werkgevers geen ziekenfondspremie meer te betalen. Over het loon vanaf 14.000 gulden gaat de werkgeverspremie omhoog van 5,15 naar 7,25 procent. De inkomensafhankelijke (procentuele) ziekenfondspremie voor werknemers daalt van 1,20 naar 1,10 procent. De inkomensafhankelijke AWBZ-premie, grotendeels betaald door de werkgever, gaat omhoog van 8,55 naar 8,85 procent.

Delen van de tandheelkunde voor volwassenen en kinderen worden uit het ziekenfondspakket geschrapt.

De eigen bijdrage voor hulpmiddelen wordt voor chronisch zieken en ouderen geheel of gedeeltelijk afgeschaft.

Ouders hoeven voor kinderen tot 18 jaar geen nominale premies Ziekenfondswet en AWBZ meer te betalen. De nominale ziekenfondspremie voor volwassenen blijft gemiddeld 198 gulden per jaar, de nominale premie in de AWBZ daalt van 147 naar 110 gulden per jaar.

Op de individuele huursubsidie wordt 200 miljoen gulden bezuinigd. Wel krijgen de ontvangers van huursubsidie met de laagste inkomens 2 procent minder huurverhoging en ontvangen huishoudens met kinderen een toeslag op de huursubsidie.

De basisbeurs voor studerenden wordt verlaagd. De verlaging varieert per schoolsoort en de vraag of de studerende thuis- of uitwonend is. Uitwonende studenten in het hoger onderwijs gaan er met een korting van 90 gulden naar 470 gulden per maand het meest op achteruit. Wel mogen studerenden in plaats van 8.040 gulden per jaar voortaan 15.000 gulden bijverdienen.

Per 1 september stijgt het collegegeld voor studenten aan universiteiten en hogescholen met 100 gulden naar 2250 gulden. Studenten die in aamerking komen voor een aanvullende beurs krijgen dit gecompenseerd.

Voor scholieren van 16 jaar en ouder wordt het lesgeld waarschijnlijk met 21 gulden (opnieuw) verhoogd.

Het collegegeld voor deeltijdstudenten in het studiejaar 1995/1996 zal mogelijk worden verlaagd van 1625 gulden naar 800 gulden.