Haperende harten

Poëziekrant nr.4. 53 blz. ƒ 12. Hoornstraat 11, 9000 Gent, België

Wie veel van poëzie houdt en over wat geduld beschikt mag zich een abonnement op de Poëziekrant eigenlijk niet ontzeggen. In het laatste nummer worden Ad Zuiderent en Tomas Lieske geïnterviewd, het werk van Leonard Nolens ('De plaatsing van een komma is een existentiële keuze') beschouwd, en bundels besproken van Peter Huchel, Hans (R) Vlek, Willem Jan Otten, en de hier volmaakt onbekende Mieke Tillema, René van Daele en Bart Janssen.

'Ik vind dat veel dichters ontzettend veel publiceren' zegt Zuiderent, van wie in vijfentwintig jaar zes bundels verschenen. En over beroemde voorbeelden, Nijhoff, Kloos en Eliot: “Ik heb grote bewondering voor dit soort dichters, maar tegelijk heb ik ook behoefte om me ertegen af te zetten. Dat heb ik het sterkst met Lucebert gehad, hoewel hij en Faverey toch mijn ijkpunten waren.”

Tiraderedacteur Tomas Lieske is sinds 1987 goed voor drie dichtbundels. 'Wij zijn als dichters niks waard als we niet staan voor wat we doen'' stelt Lieske, 'ik heb een hekel aan dichters die hun onderwerp of zichzelf ironiseren, bijvoorbeeld om zich in te dekken.'' Lieske's lievelingsdichters: Lucebert, Vroman, Ter Balkt, Nolens, Ouwens, Faverey.

Mooi, omdat het vertrouwd én zo erg weg lijkt, is de achtdelige cyclus 'Marcinelle' van Wille Verhegghe over mijnwerkers in de jaren vijftig die een ramp beleefden. “Zij doven lichten in hun hoofd // en gaan de diepte in. Naar een wereld / van miljoenen jaren vroeger. En zoeken, / vinden dertien haperende harten. / Het stotteren van de stem, tranen van tragiek / in de gebroken kop. De rest is stom en stilte, / dode diepte, gietijzeren huivering.”