Financien

G. Zalm, 5,2 miljard, 30.482 ambtenaren

Het herstel van de internationale economie heeft tot gevolg dat de prognoses in gunstige zin zijn bijgesteld. Dit leidt onder meer tot hogere belastingopbrengsten in 1994 en 1995. Het financieringstekort komt in 1995 twee miljard gulden lager uit dan bij het opstellen van het regeerakkoord nog werd gedacht. “Keepersgeluk”, aldus minister Zalm in de toelichting op zijn begroting.

Het financieringstekort van het rijk bedraagt volgend jaar drie procent van het bruto binnenlands produkt (BBP). Exclusief 'boekhoudtrucs' zou het uitkomen op 3,9 procent. Voor 1996 wordt een stijging voorzien naar 3,3 procent waarna een daling inzet naar 2,9 procent. Belastingmeevallers worden “met voorrang” gebruikt om het tekort terug te brengen naar 2,7 procent.

De uitgaven van het rijk bedragen volgend jaar 197,7 miljard gulden. De inkomsten worden op 179,1 miljard gulden geraamd waardoor het financieringstekort 18,6 miljard gulden bedraagt. Het rijk moet een bedrag van 42,8 miljard gulden aflossen. De totale financieringsbehoefte is 61,4 miljard gulden. De overheidsschuld stijgt tot bijna 500 miljard, 80 procent van het BBP.

Het kabinet wil volgend jaar ruim drie miljard gulden besparen op de rijksuitgaven. Efficiencymaatregelen bij de ministeries (scherper inkopen, minder externe adviezen inwinnen, meer ambtenaren die in deeltijd werken) moeten 480 miljoen gulden opleveren. Op de subsidies wordt 330 miljoen gulden bespaard, op de arbeidskosten 260 miljoen gulden. Deze bezuinigingen stijgen tot ruim negen miljard gulden in 1998.

Voor nieuwe taken wordt volgend jaar 700 miljoen gulden vrijgemaakt, oplopend tot 3 miljard gulden in 1998. Het gaat hierbij onder meer om extra werkgelegenheid in de zorg, betere handhaving van het recht en meer sociale woningbouw.

De lasten voor burgers en bedrijfsleven worden volgend jaar in totaal met 4,5 miljard gulden verminderd. Een bedrag van 1,7 miljard gulden wordt gebruikt voor een tariefverlaging van de eerste schijf naar 37,65 procent. Om de koopkracht op peil te houden van mensen met AOW die geen of een klein pensioen hebben, wordt een inkomensafhankelijke ouderenaftrek geïntroduceerd.

Staatssecretaris Vermeend onderstreept dat de fiscale politiek een “stevige bijdrage” moet leveren om meer werk te creëren. De tariefverlaging van de eerste schijf is daarvan een onderdeel, naast een verlichting van de administratieve lasten en faciliteiten voor startende ondernemers. Er komen geen nieuwe belastingcommissies à la Oort en Stevens die voorstellen voor vereenvoudiging moeten doen. Vermeend kondigt aan dat de komende jaren wordt gewerkt aan een herziening van de loon- en inkomstenbelasting, waarbij een vereenvoudiging en het wegnemen van knelpunten centraal staat. Voor volgend jaar zal de rente-aftrek voor consumptief krediet niet worden gewijzigd.

Om de fiscale concurrentiepositie te verbeteren, wordt voor ondernemers de mogelijkheid versoepeld hun verlies te compenseren. De zogeheten ondernemersvrijstelling in de vermogensbelasting wordt verhoogd van 50 naar 68 procent. Dit betekent dat ondernemers minder vermogensbelasting hoeven te betalen.

Werkgevers worden volgend jaar geconfronteerd met een werkgeversheffing van 10 procent over spaarloon, waardoor het financiële voordeel wordt verlaagd van 20 naar 10 procent. Voor werknemers verandert er niets. Als compensatie wordt de werkgeversheffing van 35 procent over winstuitkering aan hun personeel verlaagd naar 20 procent. Winstdelingsregelingen worden voor de werkgevers fiscaal aantrekkelijker. “Dit bevordert flexibele beloningsvormen en kan bijdragen tot een gematigde loonontwikkeling van de loonkosten”, aldus Vermeend.