Energiesubsidies gaan te gronde aan besparingen

In alle opwinding rond de bezuinigingen op onderwijs, kunst en sociale voorzieningen, dreigt het Nederlandse energiebesparingsbeleid in stilte de nek te worden omgedraaid. Noch het regeerakkoord, noch de regeringsverklaring gaf aanleiding tot verhitte discussies in de Kamer of in de media. Terwijl het schrappen van ruim een derde deel van het overheidsbudget voor onderzoek, ontwikkeling en marktstimulering van schone, zuinige energietechnologie toch voldoende reden is om energie - en milieu in het algemeen - weer terug te plaatsen op de politieke agenda.

Het is nog maar vier jaar geleden dat de overheid in de Nota Energiebesparing, als direct uitvloeisel van het Nationaal Milieubeleidsplan, een nieuw, vooruitstrevend energiebeleid presenteerde. Het doel is de uitstoot van het broeikasgas kooldioxide in het jaar 2000 terug te brengen tot 3 procent onder het niveau van 1990, te bereiken door toepassen van efficiëntere energietechnologie. Mede door dit beleid nam het gebruik van hoogrendements-cv-ketels en warmte/kracht-installaties een hoge vlucht. Belangrijker nog is het ontstaan van een structureel verband tussen onderzoek en ontwikkeling enerzijds en de marktintroductie van schone en zuinige energietechnologie anderzijds. Dit verband, de basis voor verdergaande energiebesparing, dreigt na vier jaar weer te worden ontrafeld door de aangekondigde bezuinigingen.

In de ruimste zin van het woord 'energiesubsidies' - dus inclusief geld voor onderzoek en ontwikkeling - stond er op Prinsjesdag 1993 ruim vijfhonderd miljoen op deze post van Economische Zaken. Vermoedelijk zal van de oorspronkelijk aangekondigde driehonderd miljoen bezuiniging op de EZ-begroting zo'n 180 miljoen worden verhaald op energiesubsidies. En daar komen de bezuinigingen op het VROM-budget voor integraal ketenbeheer, afvalstoffen en energie uit afval nog bij. De ontwikkeling van nieuwe, veelbelovende technologieën zoals voor duurzame energie, industriële besparing, gebruik van afval en nog een aantal, zal zonder enige twijfel door deze bezuinigingen worden gefrustreerd. Dat is niet te rijmen met het belang van technologische vernieuwing voor de concurrentiepositie van Nederland, dat nog geen jaar geleden in het 'Globaliseringsdebat' door alle partijen werd gepredikt.

De effecten strekken veel verder dan tot alleen de portemonnee. Het energiebeleid steunt namelijk sterk op de meerjarenafspraken tussen verschillende branches en de overheid. Als de overheid haar eigen geloofwaardigheid ondergraaft en eenzijdig aan subsidieregelingen begint te sleutelen, ligt het voor de hand dat ook de brancheverenigingen zich niet langer aan deze afspraken gehouden voelen. Achter de schermen wordt nu druk onderhandeld, maar tot een openbaar debat over de teloorgang van het energie- en milieubeleid, bijvoorbeeld tussen de energiespecialisten van de Kamerfracties is het nog niet gekomen.

Nog een station verder, dus helemaal uit zicht, is het bedenken en overwegen van financiële compensatie voor het bezuinigde bedrag van 180 miljoen. Als twee belangrijke pijlers onder het energiebeleid (de meerjarenafspraken en de kennnis-infrastructuur) afkalven, zal er dus meer gewicht moeten rusten op de derde pijler: de milieuactieplannen van de energiebedrijven. Conform de 'Set van afspraken' met de overheid, hebben de distributiebedrijven al de vrijheid om de consument maximaal 2 procent extra toeslag voor energie te rekenen, teneinde niet of nauwelijks renderende besparingsmaatregelen te kunnen betalen. Verhoging van de MAP-toeslag met 0,8 procent-punt verschaft reeds de tweehonderd miljoen gulden die nu verloren dreigt te gaan aan subsidieregelingen en onderzoekgeld. Omdat de paarse regering toch al van plan is om per 1 januari 1996 een kleinverbruikersheffing in te voeren, lijken tegen zo'n voorbode van de echte heffing geen principiële bezwaren te bestaan.

De verantwoordelijkheid voor de besteding van dit geld zou daarmee wel bij de nutsbedrijven terecht komen. Er is echter veel voor te zeggen dat de energiebedrijven zelf de financiële stimulering ter hand nemen van bijna rendabele energietechnologie, zoals windturbines, zonneboilers of industriële besparingstechnieken. Dat is al eens eerder vertoond met de subsidie op hoogredenmets cv-ketels, die dit jaar ook al door de nutsbedrijven wordt verstrekt.

Gecompliceerder ligt het bij het in stand houden van de opgebouwde kennis-infrastructuur, maar ook hier is een toenemend aandeel van de energiebedrijven in delen van onderzoekprogramma's denkbaar. Dat kan zelfs leiden tot een efficiëntere overdracht van kennis naar het bedrijfsleven. Of die taakverschuiving van overheid naar distributiebedrijven echter via de weg der geleidelijkheid moet geschieden, zou nu onderwerp van discussie moeten zijn.

De paarse bezuinigingsdrang heeft ook op andere gebieden (onderwijs!) geleid tot een acceleratie van ideeën over rigoureuze koerswijzigingen. Maar het mag niet zo zijn dat hervormingen niet tot wasdom kunnen komen omdat de bezuinigingen hen achterhalen.