De vliet

Vissen, niks voor mij. Als je honger hebt kun je beter naar de winkel gaan, als je geen honger hebt zou je die dieren met rust moeten laten.

Maar dat het prettig is om onder zo'n paraplu te zitten kan ik me voorstellen - dat onherroepelijk verstenen met je rug uit de wind en het droge tikken van de regen in je oor, die notie dat je iets of iemand mooi te slim af bent, zo ongeveer als toen je klein was, onder de tafel in de kamer zat, met grote-mensenbenen eromheen.

En dat er iets begint te lachen als de regen aanzet, en te juichen als het even hoost.

De regen striemt het water van de vliet. Er komen putjes in, er komen bellen op, het valt in kringetjes uiteen.

Vanmorgen vroeg stond aan de overkant een koe. Precies op dat moment het laatste straaltje zon. De wereld werd verdubbeld. De koe hing zonder moeite met haar hoeven aan het omgekeerde gras; ze deed haar kop omhoog, haar snuit tot aan het oppervlak, en dronk omzichtig van de lucht.

Inmiddels staan ze druipend in de verte, het hek dat ze verhindert naar de stal te gaan.

Zo'n paraplu, zo'n grote groene in de grond gestoken paraplu. Een lindeboom kan ook, nu het gerucht van wind en regen nog door het volle blad ontvangen wordt.