De moraal brokkelt af en de doodstraf speelt op

Dat bijna 43 procent van de bevolking vóór herinvoering van de doodstraf is, zoals het Sociaal en Cultureel Rapport 1994 onlangs bekend maakte, is in de media betrekkelijk rustig opgenomen. Geen storm van morele verontwaardiging zoals die enkele jaren geleden (in '88 en '89) nog opstak toen een ambtenaar van Justitie in een vakblad een lans brak voor de doodstraf en het Nederlands Juristenblad dit pleidooi afstrafte door het als fascistisch te brandmerken. Er werd zelfs aangedrongen op ontslag van de betrokken ambtenaar. Voorstanders van de doodstraf, onder wie toen ook de Amerikaanse president Bush, de Britse premier Thatcher en de Israelische defensieminister Rabin, werden door de bekende columnist Piet Grijs gedegradeerd tot minder begaafde burgers, ja een stelletje idioten.

Hoe komt het dat nu niet zo emotioneel is gereageerd en dat voorstanders van doodstraf in de media aan het woord komen zonder meteen in moreel of intellectueel opzicht neergesabeld te worden? Vanwaar dit verschil in reactie? Is het omdat nu zo'n groot aantal mensen zich tot die voorstanders rekent of omdat men dit nu interpreteert als uiting van een op zichzelf gerechtvaardigd gevoel van onbehagen over de criminaliteitsbestrijding? Hangt het wellicht ook samen met de hoge prioriteit die die bestrijding inmiddels bij alle partijen gekregen heeft nadat rechtsstatelijke waarden, gericht op bescherming van het individu tegen de overheidsmacht van politie en justitie, jarenlang de overhand hadden? Dit alles speelt zeker een grote rol, maar de huidige reactie duidt ook op een grotere tolerantie voor rechtse tendenties. Nadat in de jaren zestig en zeventig allerlei rechtse taboes in snel tempo gesneuveld zijn, zien we de laatste jaren het omgekeerde: linkse taboes worden steeds minder ontzien, nu ook inzake de doodstraf.

Dit is een bevestiging van het liberale karakter van onze democratie, dat wordt medebepaald door de mate waarin linkse èn rechtse taboe-onderwerpen weer bespreekbaar worden. In een liberale democratie moet in principe ook ruimte zijn voor het uiten van opvattingen die velen ervaren als regressie in beschavingspeil. De doodstraf geldt als zo'n regressie. En terecht. Een staat bereikt in moreel opzicht een hoger stadium van ontwikkeling en wordt dus beschaafder als hij orde en veiligheid verzekeren kan zonder zijn toevlucht te moeten nemen tot het ultieme middel van de doodstraf. Wat ik niet begrijp is dat men dit in progressieve kringen volmondig beaamt, terwijl men zich tegelijk onder invloed van de postmoderne denkmode nadrukkelijk distantieert van de vooruitgangsgedachte en daarin een verouderd concept ziet. Progressiviteit als politieke attitude is zowel historisch als logisch ten nauwste verbonden met die vooruitgangsgedachte.

Is doodstraf in zichzelf een verwerpelijke straf? Dit kan moeilijk staande gehouden worden. Als men uitgaat van de vergeldingsgedachte als primair doel van strafrecht zoals eeuwenlang is gedaan en in tal van landen nog gedaan wordt, is de doodstraf zeer wel te rechtvaardigen. In de christelijke wereld is dat bovendien gedaan op bijbelse gronden. Orthodox-christelijke partijen als bijvoorbeeld de SGP zijn op die gronden nog altijd vóór de doodstraf. In katholieke kring is de doodstraf door prominente strafrechtbeoefenaars nog na de oorlog verdedigd als uitvloeisel van een natuurrechtelijk gefundeerde vergeldingsgedachte. In progressief geachte landen als de communistische is deze straf zelfs voor minder ernstige vergrijpen als economische delicten toegepast als uitvloeisel van de daar heersende ideologie.

In ons land is de doodstraf in 1870 in burgerlijke strafzaken om verschillende redenen afgeschaft, bovenal omdat zij in strijd geacht werd met de geest van het christendom. In het militaire strafrecht werd zij niettemin gehandhaafd. In 1943 is zij in een van de Londense besluiten ook voor het burgerlijk strafrecht weer ingevoerd en na de oorlog ten uitvoer gebracht voor bepaalde delicten van de bezettingstijd (oorlogsmisdaden, verraad en dergelijke). Als doodstraf in zichzelf verwerpelijk is, moeten we die naoorlogse doodstraffen achteraf alsnog afkeuren. Trouwens is de reële executie van levenslange gevangenisstraf tegen eerst de drie, daarna de twee van Breda, waaraan jarenlang een meerderheid in en buiten het parlement onverkort wilde vasthouden, ook niet een uiting van pure vergelding?

In onze grondwet van 1983 (art. 114) is de doodstraf volledig afgeschaft. J. Remmelink noemt dit in zijn bewerking van de bekende Inleiding tot de Studie van het Nederlandse strafrecht van Hazewinkel-Suringa terecht mooi-weerwetgeving. In stormtij, met name in oorlogsomstandigheden, zal men er zich toch niet aan houden. De grondwetgever heeft daarmee zijn juridische hand overspeeld. In het zesde protocol bij het Europese mensenrechtenverdrag van 1950 waarin een verplichting tot afschaffing van de doodstraf is opgenomen, wordt terecht een uitzondering gemaakt voor misdaden, begaan ten tijde van oorlog. Zo'n tijd is een periode van morele regressie waarin staten zich genoodzaakt zien zich te handhaven met middelen die alle een terugval betekenen in beschavingspeil.

Maar is de grote en groeiende omvang van de criminaliteit in onze tijd ook niet een teken van morele regressie? Is dit niet de reden waarom de vergeldingsgedachte weer in aanzien stijgt en de doodstraf in de ogen van velen opnieuw een aanvaardbaar middel is van strafrechtelijke repressie? Moet dit alles ook niet gezien worden in het licht van de teleurstellende ervaringen die tot nu toe zijn opgedaan met resocialisatie van delinquenten als meer beschaafde doelstelling van strafrechtelijke reactie, waardoor velen weer teruggrijpen op een paardemiddel als doodstraf?