DE MILJOENENNOTA ALS 'VIRTUAL REALITY'

Het nieuwe kabinet wil een vertrouwenwekkend financieel en economisch beleid voeren. Dat is hard nodig, zo vindt ook de socioloog prof.dr. A.C. Zijderveld, maar dat vertrouwen zal niet alleen op economische cijfers kunnen worden gegrondvest. De nieuwe coalitie moet rekening houden met ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen, ja zelfs met een cultuurverandering in de Nederlandse samenleving die verder reikt dan de macht en de mogelijkheden van de Rijksbegroting.

Wie als gemiddeld intelligente burger kennisneemt van de 'Nota over de Toestand van 's Rijks Financiën' voor het jaar 1995 en daarnaast de 'Macro-Economische Verkenning 1995' legt, ondergaat tegenstrijdige gevoelens en gedachten. Enerzijds besef je dat hier onze nationale belangen op het spel staan, dat het hier niet alleen gaat om wat we met z'n allen aan inkomen zullen krijgen en wat we dientengevolge kunnen besteden en uitgeven, maar ook om de aard van de maatschappij die we met elkaar in stand zullen kunnen houden. Dit is dus ernstig materiaal.

Anderzijds word je al snel murw van al die cijfers en tabellen en realiseer je je dat er achter al die centen en procenten politieke keuzes zitten die je als burger nauwelijks in de hand hebt. Sterker nog, de meeste politici zijn inmiddels zo eerlijk toe te geven dat zij ze ook niet echt in de hand hebben. Empirische feiten en normatieve wensen tuimelen door elkaar, droom en werkelijkheid vloeien in elkaar over. Ironische gedachten en gevoelens zijn dan nog nauwelijks in bedwang te houden.

Het fascinerende van al die miljoenen en miljarden die aan je voorbijtrekken, is het feit dat ze een objectieve en harde werkelijkheid voorspiegelen. Al die statistieken en tabellen zouden een kaart vormen en deze kaart zou de marsroutes uitstippelen die de politiek heeft te volgen. Maar zo simpel liggen de zaken natuurlijk niet. De werkelijkheid achter al die absolute getallen en al die procenten, zo weten we, heeft meer iets van een fata morgana dan van een solide, empirische werkelijkheid. De miljoenennota als virtual reality.

Hoe knap de staf van het Centraal Planbureau ook is, hun prognoses, scenario's en andere berekeningen die ten grondslag liggen aan het regeerakkoord en aan het tekstgedeelte van de miljoenennota blijven kans- en waarschijnlijkheidsberekeningen. Onze nationale economie is zo verstrengeld in tal van internationale processen en structuren dat er niet dàt hoeft te gebeuren, of er klopt weinig danwel niets meer van.

Overigens zijn de knappe koppen van het CPB de eersten om het modelkarakter van hun berekeningen te onderstrepen. Het zijn de politici die deze modellen hanteren als plaatjes van de werkelijkheid (vergelijk: 'koopkrachtplaatje') en ze vervolgens opvoeren als legitimaties van hun beleid. Ik ben benieuwd hoe minister Zalm, voorheen CPB-directeur, de modellen van 'zijn' bureau politiek gaat gebruiken.

Wat springt in deze cijfervloed als beleidsvoornemens direct in het oog? Voor mij als niet-econoom was dat vooral het volgende. Het kabinet neemt zich voor een vertrouwenwekkend financieel-economisch beleid te voeren. Monetair gezien wil het de bestaande prijsstabiliteit, alsmede de daarmee verbonden lage inflatie en rente continueren. Om zich te kwalificeren voor de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU) moet het plafond van het financieringstekort worden teruggebracht van 3,3 procent bruto binnenlands produkt (BBP) in 1995 naar 2,9 procent BBP in 1998 (waarmee wordt voldaan aan het EMU-criterium van 3 procent BBP). Dit beleid moet vooral internationaal vertrouwen wekken en ons een volwaardig monetair lid maken van de Europese Unie die destijds in Maastricht gestalte kreeg.

Dit is een economische doelstelling die natuurlijk vergaande maatschappelijke consequenties heeft. Even belangrijk als het financieel-economische vertrouwen is natuurlijk het maatschappelijke vertrouwen. De sedert circa 1980 niet aflatende bezuinigingslitanie wordt ten behoeve van het economische vertrouwen voortgezet. Ze lijkt nu zelfs bedreigender dan ooit tevoren: drastische uitgavenbeperkingen in de sociale zekerheid en de zorgsector, drastische financiële en structurele ingrepen in het hoger-onderwijsveld, beëindiging van het algemeen verbindend verklaren van de looncomponent voor de onderste loonschalen van de CAO's, verhoging van de energietarieven voor kleinverbruikers, etcetera. We zouden er natuurlijk met z'n allen beter van moeten worden, maar daar zullen waarschijnlijk weinig mensen buiten het Binnenhof echt in geloven.

Hoe vertrouwenwekkend kan een financieel-economisch beleid vandaag de dag nog zijn? Ieder kabinet, van welke politieke signatuur dan ook, dat moet voortgaan met ingrijpende bezuinigingen en herstructureringen, wekt bij voorbaat al weinig vertrouwen. Sedert ruwweg 1980 doen we zeker in de collectieve sector niets anders dan bezuinigen en dus reorganiseren, transformeren, innoveren. Aan de zogeheten efficiency-operaties leek geen einde te komen. Het vergde een voortdurende niet-produktieve inspanning die bestond uit vergaderen, stukken schrijven en lezen, commissies optuigen en voorzitten, structuren opzetten en weer veranderen, etcetera.

Wie van dat alles even afstand neemt en een tiental jaren terugblikt, krijgt een verwarrend beeld van over elkaar heen rollende veranderingen die nooit de kans kregen zich uit te kristalliseren. Het ene was nog niet in werking getreden of het andere moest het alweer vervangen.

Dit beleid van permanente veranderingen heeft vooral twee fatale negatieve gevolgen gehad: het verspilde tijd, energie en talent die meestal kostbaar waren, en het werd in toenemende mate ongeloofwaardig. Als dit kabinet zich voorneemt een vertrouwenwekkend beleid te gaan voeren, dan zal het eerst een in voorgaande jaren verspeeld vertrouwen bij de burgers moeten herwinnen. Het neemt zich in de Miljoenennota voor 'in de systematiek van het beleid zoveel mogelijk rust en helderheid te garanderen'. Daar ontbrak het in de laatste jaren inderdaad aan.

Het is overigens niet moeilijk de belangrijkste voorwaarden voor het herwinnen van het vertrouwen op te sommen. Om te beginnen moet het eens duidelijk worden welk beleid wààr gecentraliseerd blijft en welk beleid waarheen gedecentraliseerd en geprivatiseerd kan of moet worden. In de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en ook de cultuur (denk aan musea en wellicht zelfs universiteiten) liggen bijvoorbeeld de voor- en nadelen van privatisering totaal verschillend. Duidelijkheid daaromtrent is langzamerhand zeer gewenst. Ten tweede: alleen wanneer de structurele werkloosheid, met name aan de laag- of ongeschoolde onderkant van de arbeidsmarkt (gedomineerd door migranten), waarneembaar afneemt, zal het financieel-economische beleid van het kabinet vertrouwenwekkend zijn. Ten derde: de economische groei die inmiddels ook in Europa op gang is gekomen, zal waarneembaar met een verbetering van het milieu gepaard moeten gaan. Ten vierde: de gevoelens van veiligheid zullen vooral in de steden moeten toenemen. Ten vijfde: de befaamde wig tussen bruto en netto inkomen, inmiddels één van de grootste in Europa, zal moeten afnemen.

Maar de belangrijkste voorwaarde voor een vertrouwenwekkend beleid van de overheid ligt niet bij die overheid. Het is een nasleep van wat ik eens het ethos van de verzorgingsstaat heb genoemd. We menen nog steeds dat met name de rijksoverheid het epicentrum van de macht is en dat dus al onze wensen en verwachtingen daar als het ware op de stoep kunnen worden gelegd. Burgers hebben vaak overdreven voorstellingen van de macht en mogelijkheden van die overheid en berekenen maar al te vaak de voordelen die een subsidiërende overheid kan bieden. Wanneer die burgers erop wordt gewezen dat de overheid niet almachtig is en ook wel eens overvraagd kan worden, dat bovendien de burgers zelf op hun verantwoordelijkheden aangesproken kunnen en moeten worden, dan wordt dat maar al te vaak, als in een Pavlovreactie, als gemoraliseer afgedaan. Kortom, calculerende burgers zijn ook bij lange na niet altijd even vertrouwenwekkend. Met een wat zwaar woord wordt dit wederzijdse gebrek aan vertrouwen wel 'legitimiteitscrisis' genoemd.

Het fris aangetreden kabinet heeft, zo ziet het ernaar uit, het economische tij mee. Het was de laatste jaren de gewoonte in dit soort beschouwingen over 's rijks begroting somber gestemd te zijn. Daar is voor het eerst sedert enige tijd wat minder reden voor. Het ziet ernaar uit dat onze economie in aansluiting op internationale ontwikkelingen weer aan het opkrabbelen is. De 'Macro-economische Verkenningen 1995' vermelden dat de groei van het bruto binnenlands produkt dit jaar al twee keer zo groot is als voorspeld en dat we voor volgend jaar een groei van 3 procent mogen verwachten. Wellicht is er ook, om de titel van een lezenswaardig essay van E. Bomhoff te citeren, sprake van 'een Haagse lente' in de vaderlandse politiek nu een kabinet is aangetreden dat in samenstelling beduidend anders is dan we tot nu toe gewend zijn geweest. Als politiek elan, getemperd door oud-Hollandse nuchterheid, gepaard gaat met een stijgende economische conjunctuur dan zouden, alle somberheid over de aangezegde bezuinigingen en ingrepen ten spijt, de komende jaren toch nog goed voor ons land kunnen uitpakken.

De economie ontwikkelt zich natuurlijk niet in een maatschappelijk en cultureel luchtledig. Moderne economen hebben vaak de neiging haar als een autonoom fenomeen te beschouwen, als processen en structuren die los zouden staan van de sociologische processen en structuren die we kortheidshalve aanduiden met begrippen als 'maatschappij' en 'cultuur'. De vraag is daarom belangrijk wat voor de komende jaren de belangrijkste sociale en culturele ontwikkelingen zullen zijn, waarbinnen een economie zich al dan niet ontwikkelt en waarop die economie ook een beslissende invloed uitoefent.

Ter beantwoording van die vraag is het zinvol het Sociaal en Cultureel Rapport 1994 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naast de eerder genoemde Macro-economische Verkenningen 1995 van het CPB te leggen. Het rapport schuift vier ontwikkelingen naar voren die nu al in onze samenleving waarneembaar zijn en in de komende decennia beeldbepalend zullen worden.

Allereerst is er een aantal opmerkelijke ontwikkelingen in de demografie. Ons inwonertal zal sterker toenemen dan was voorzien. Daar is vooral de relatief hoge immigratie verantwoordelijk voor. Op dit moment rekent men met een inwonertal van tussen de 16 en 17 miljoen in 2010. Daar komt bij dat de vergrijzing van onze beroepsbevolking door de groei van de groepen tussen 40 en 65 jaar in een rap tempo zal toenemen. Blijft men wegens het maatschappelijke belang van de arbeidsparticipatie streven naar zo volledig mogelijke werkgelegenheid, dan moet het arbeidsmarktbeleid met deze demografische ontwikkelingen meer dan tot nu toe rekening houden.

Individuele zelfstandigheid is een verworvenheid waarvan maar weinigen in ons land afstand zouden willen doen. Desondanks blijft volgens het SCP-rapport onze bevolking in hoge mate gericht op gezinsvorming. Slechts weinigen zien alternatieven voor dit instituut (woongroepen, LAT-relaties, een-oudergezinnen, alleenstaand) als een aantrekkelijk perspectief. Ook het bewust kinderloze gezin geldt voor weinigen als ideaal. Wel is het zo dat alternatieven als (al dan niet gewilde) tijdelijke oplossingen voorkomen: de aanloop duurt langer, echtscheidingen of beëindiging van het samenwonen komen vaker voor. Daardoor worden perioden van gezinsleven en partnerloosheid afgelost. Het SCP-rapport spreekt treffend van 'huishoudensverdunning'. De toename van het aantal alleenstaanden kan daaruit, alsmede uit de vergrijzing, worden verklaard. In het licht van het feit dat het gezin als instituut in onze samenleving een centrale rol blijft spelen, is de voorgenomen verandering in de kinderbijslag een opmerkelijke en ondoordachte maatregel.

Wat de emancipatie van vrouwen betreft, wordt verwacht dat met de economische groei hun arbeidsparticipatie zal toenemen. Dit betekent evenwel niet dat daarmee in de nabije toekomst ook de rolsymmetrie in het huishouden zal toenemen. In relaties zonder kinderen is dat wel steeds meer het geval, maar in gezinnen met kinderen niet. Het dominante patroon is en blijft voorlopig dat er in gezinnen een voltijdwerkende, mannelijke hoofdkostwinnaar is met naast zich een vrouwelijke nevenkostwinnaar die zich over het huishouden en de kinderen ontfermt. Grootschalig recent onderzoek heeft uitgewezen dat niet alleen mannen dit willen: slechts een minderheid van de vrouwen (ruim een vijfde) propageerde deeltijdarbeid voor de man bij de komst van kinderen.

Nederland is een multi-etnische samenleving geworden en zal dat in de toekomst ook blijven. De zogeheten allochtonen of etnische minderheden vormen nu 7,6 procent van de totale bevolking: Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillanen en asielzoekers uit de Derde Wereld. Hoewel het onduidelijk is hoe groot de toekomstige immigratie zal zijn, wordt ermee gerekend dat dit percentage in 2010 verdubbeld zal zijn. Voor de drie grote steden betekent dit dat zij voor bijna de helft door allochtonen worden bewoond. Overigens hangt het van de integratie van de komende generaties af in hoeverre het in 2010 nog zinnig zal zijn van allochtone minderheden te spreken en er een minderhedenbeleid op na te houden. Het SCP-rapport onderstreept in dit verband het belang van de werkgelegenheid en van een stringent toelatingsbeleid.

Volgens velen tekent zich nog een veel fundamentelere verandering in onze samenleving af - een verandering die vergaande consequenties voor de politiek en het beleid zal hebben. Zij wordt met verschillende begrippen aangeduid: radicale individualisering, einde van de overlegeconomie, radicale ontzuiling, afbraak van het maatschappelijke middenveld. Vaak zijn het de rap vergrijzende cultuurrebellen uit de jaren zestig die dit roepen, omdat ze menen dat de veranderingen die allerwege plaatsgrijpen de tijd rijp maken voor hun ideologische bevlogenheden. Ik denk dat er meer aan de hand is dan een reprise van de Maagdenhuisbezetting en het versleten begrip individualisering is wel het minst geschikt om aan te geven wat er dan wel aan de hand is.

De relatief goed geïnformeerde en behoorlijk geëmancipeerde burgers van vandaag en morgen laten zich niet meer - om een uitdrukking van de Duitse socioloog en filosoof Arnold Gehlen te gebruiken - consumeren door traditionele instituties als de staat, de kerk, de universiteit, het leger, de vakbond of de politieke partij. Ook hebben de leiders van deze instituties - ministers, bisschoppen, professoren, generaals, vakbondsleiders en partijleiders - geen vanzelfsprekend gezag meer. Men is niet tegen gezag, maar is niet bereid gezag op voorhand te erkennen. Wat institutionele gezaghebbers zeggen en schrijven, wordt onmiddellijk becommentarieerd, gekritiseerd, bediscussieerd. Van sommige instituties trekt men zich massaal terug, zoals de kerk, andere worden door de omstandigheden grotendeels overbodig, zoals het leger, weer andere worden met de nodige scepsis en argwaan bejegend, zoals de staat en de universiteit.

De geïnformeerde en geëmancipeerde burgers rebelleren niet tegen deze instituties als zodanig maar houden ze op een afstand. Ze worden voortdurend getoetst op hun bruikbaarheid en bovenal hun zinvolheid. Met andere woorden: meer dan vroeger moeten de instituties zichzelf waarmaken, moeten ze hun legitimiteit keer op keer bewijzen. Goede communicatie en public relations zijn daarbij zeker belangrijk, maar bovenal gaat het erom goed (effectief en efficiënt) te functioneren en daarenboven iets uit te stralen, iets te zeggen te hebben. Dit geldt temeer omdat instellingen in toenemende mate marktconform en dus concurrerend moeten werken.

Vroeger, bij voorbeeld in de hoogtijdagen van de verzuiling, waren de mensen 'zwaar' geïnstitutionaliseerd. Vandaag de dag zijn de meesten van ons 'licht' geïnstitutionaliseerd. We toetsen onze instituties op hun bruikbaarheid en zinvolheid en zitten losjes in onze institutionele jasjes. Een politieke partij als het CDA bijvoorbeeld kan niet meer rekenen op een vast kiezersbestand dat, wat er ook gebeuren moge, op deze partij zal stemmen. Kan de partij de toets der kritiek niet doorstaan, dan worden haar stemmers de partij ontrouw. De VVD en de PvdA hebben dat al eerder ervaren. Dit betekent ook dat het vertrouwen weer kan worden teruggewonnen. Het is dus niet zo dat door de 'secularisering', de 'ontkerkelijking' en de 'ontzuiling' de toekomst voor het CDA is verkeken. Die processen zijn al veel ouder en kwamen ook al massaal voor toen het CDA verkiezingssuccessen boekte.

Wanneer het huidige kabinet een vertrouwenwekkend beleid wil voeren, dan zal het met deze cultuurverandering rekening moeten houden. De economische opleving zal zeker helpen, maar het zal toch ook zaak zijn in politieke zin te overtuigen. De bewindvoerders moeten kunnen rekenen maar geen rekenmeesters zijn, ze moeten waarden en normen hoog houden maar geen zedenmeesters willen zijn. Ze moeten kunnen regeren zonder regenten te zijn.

Misschien komt er een paarsgetinte Haagse lente. Laten we ze, zoals het mondige burgers betaamt, het voordeel van de twijfel geven.