BUITENLANDSE ZAKEN

H.A.F.M.O. van Mierlo, 0,5 miljard, 2.506 ambtenaren

Moeten de lidstaten van de Europese Unie gezamenlijk optrekken of kan zich een kopgroep vormen van lidstaten die met de Europese integratie verder gaan dan de andere? Dit is een kernvraag voor het Nederlands buitenlandse beleid. Volgens het kabinet kan een Europese integratie met verschillenden snelheden voor de lidstaten de bestaande verworvenheden - zoals de interne markt - in gevaar brengen.

Dat blijkt uit de toelichting op de begroting van Buitenlandse Zaken. Een nieuwe richting wordt door het kabinet niet aangegeven want in 1996 komt een 'herijkingsnota' over de koers van de ministeries van defensie en buitenlandse zaken, waaronder ook Ontwikkelingssamenwerking valt. Daarbij wordt volgens er minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking naar gestreefd de activiteiten van de ministeries meer en meer onder één noemer te brengen.

Plechtig en omineus begint de toelichting met de woorden: “De wereld aarzelt tussen orde en wanorde. (...) Wij staan voor de paradox dat in deze tijd van groeiende internationale vervlechting volkeren juist de neiging vertonen hun eigen identiteit en specificiteit te benadrukken. Nu de vroegere ideologische tegenstelling is weggevallen, komen etnische, religieuze en culturele scheidslijnen weer sterker naar voren (...), uitsluiting van degenen die 'anders' zijn.”

Voor het kabinet zijn Europese integratie en Atlantische samenwerking onmisbare polen voor stabiliteit. De Europeanen zelf zullen de bereidheid moeten tonen meer verantwoordelijkheden te dragen voor vrede en stabiliteit in hun eigen continent. Ook daar zijn de conflicten tussen staten veranderd in een strijd binnen de staten.

Om de verhoudingen met Duitsland te verbeteren, zullen jonge ambtenaren tussen Den Haag en Bonn worden uitgewisseld voor stages. “Met de beeldvorming van Duitsland in Nederland lijkt het niet in alle opzichten goed te zijn gesteld hetgeen ook in Duitsland niet onopgemerkt is gebleven”, zo staat in de toelichting. Het kabinet wil bezien wat daaraan te doen valt. “Eenvoudig zal dat niet zijn”, aldus de toelichting. Aanhalen van contacten met de Länder aan de oostgrens van Nederland ziet het kabinet als een van de mogelijkheden maar “de beeldvorming over Duitsland is vooral een zaak van de publieke opinie”.