Torpedering transportschip herdacht

ROTTERDAM, 19 SEPT. Op de Gelderse erebegraafplaats in Loenen is gisteren door een paar honderd belangstellenden, onder wie vijf overlevenden, herdacht dat vijftig jaar geleden, op maandag 18 september, voor de Westkust van het Indonesische eiland Sumatra het Japanse transportschip Junyo Maru door de Britse onderzeeboot Tradewind werd getorpedeerd. Bij de ramp kwamen circa 5.600 mensen om.

Door de torpedering vond tegen de negentig procent van de circa 6.500 opvarenden de dood. Onder de 5.600 slachtoffers waren ongeveer 4.300 Javaanse 'werksoldaten' (romusja's) en KNIL-militairen en verder ruim 1.300 Amerikaanse, Australische, Britse en Nederlandse krijgsgevangenen, onder wie ex-bestuursambtenaren, rechters, koopvaardijmensen en artsen in de leeftijd van 18 tot 64 jaar.

De Junyo Maru was van Batavia (Jakarta) op weg naar Emmahaven (Padang) aan de westkust van Sumatra en had voor de opvarenden praktisch geen reddingsmiddelen aan boord. Ter hoogte van Benkoelen (Sumatra) werd het aangevallen, door twee torpedo's getroffen en zonk na verloop van tijd. Van reddingswerk kon nauwelijks sprake zijn, onder meer doordat de meeste Indonesiërs niet konden zwemmen.

De Javaanse dwangarbeiders en de krijgsgevangenen die aan boord van het Japanse vrachtschip waren, werden naar Sumatra gebracht om daar aan het werk te worden gezet bij de bouw van de 220 kilometer lange Pakanbaru-spoorlijn van Muaro bij Padang (aan de Indische Oceaan) naar Pakan Baru (aan de Straat van Malakka tegenover Singapore).

De geschiedenis van de aanleg van deze in augustus 1945 voltooide, maar nooit gebruikte en tamelijk onbekend gebleven spoorweg, is uitvoerig beschreven in het boek Eindstation Pakan Baru 1944-1945 (Dodenspoorweg door het oerwoud) van Henk Hovinga (Amsterdam, 1982). In beknopte vorm zijn de lotgevallen van de gevangenen van de Japanse bezetter in deze wereld van bleke blubber, altijd groene oerwoudreuzen en stille plassen van zwart, stinkend water met horden gonzende muskieten, alsmede het relaas van de ondergang van de Junyo Maru in september 1944, ook terug te vinden in deel 11b van Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Nederlands-Indië II) van L. de Jong (Den Haag, 1985). Aan de spoorlijn hebben in 1944 en 1945 circa 22.000 ramusja's gewerkt van wie ruim 75 procent is omgekomen.

De geschiedenis van de Pakan Baru-spoorlijn is vergelijkbaar met de veel bekendere historie van de in 1942/1943 aangelegde twee keer zo lange Birma-Siam-spoorweg van Bangkok naar Rangoon. Bij de dwangarbeid aan deze lijn is meer dan een kwart van alle ingezette krijgsgevangenen gestorven. Van de Aziatische dwangarbeiders is tachtig tot negentig procent omgekomen.

Tijdens de oorlog in de Stille Oceaan waren twee scheepsrampen, beide in september 1944 waarbij aan Nederlandse kant veel slachtoffers vielen. In de eerste plaats die van de Junyo Maru op 18 september en kort daarop, op 21 en 23 september, bij het transport van dertienhonderd Britse en Nederlandse krijgsgevangenen met het Japanse vrachtschip de Hokudu Maru van Singapore naar Japan. Bij de Filippijnen werd het door Amerikaanse bommenwerpers aangevallen en tot zinken gebracht waarbij achthonderd man verdronken. Volgens De Jong hebben bij scheepstransporten in de Indische archipel circa vierduizend Nederlandse en Indisch-Nederlandse krijgsgevangenen het leven verloren. Dat waren er negenhonderd meer dan er zijn omgekomen bij het werk aan de Birma-spoorlijn.