SNELLER LOPEN EEN KWESTIE VAN TIJD

Als tiener lunchte Richard Chelimo liever thuis dan op school. En dus rende hij tussen de middag altijd eventjes op en neer. Wat is tenslotte tien kilometer? Gisteren nam de zilveren-medaillewinnaar van de tien kilometer tijdens de Olympische Spelen van Barcelona deel aan de Dam-tot-Dam-loop, van Amsterdam naar Zaandam. En werd slechts twintigste. Toch kon Chelimo na afloop hartelijk lachen.

De laatste meters van de gistermiddag verlopen Dam-tot-Dam-loop versnelde Richard Chelimo nog even. Gewoon omdat een topatleet volgens de Keniaan de laatste meters van een wedstrijd altijd moet versnellen, zelfs als de ereplaatsen al lang zijn verdeeld. Zelfs als je benen eigenlijk niet meer willen.

Hoeveelste is hij eigenlijk geworden, vraagt hij zich een kwartiertje na zijn finish in het centrum van Zaandam af. Ach, zegt hij dan, wat doet het er ook toe. Zijn tijd is belangrijker en die weet hij wel. De registratie van de teleurstellende cijfers op zijn horloge toen hij over de finish kwam hebben de black out die volgde, overleefd. Mijn god, wat zat hij er doorheen, wat was hij kapot. De wereld draaide en tolde voor zijn ogen. Even leek hij onderuit te gaan op het natte asfalt, maar een dranghek waar hij toevallig tegen aanliep bracht uitkomst. En werd gekoesterd als een geliefde. “Ik had wel een beetje verwacht dat het zwaar zou worden, maar man, dat het zo zwaar zou zijn...”

Chelimo, van wie verschillende geboortedata circuleren, maar die zelf zegt 21 jaar te zijn, was een van de wereldtoppers die deelnamen aan de 16,1 kilometer lange Dam-tot-Dam-loop. Maar de Keniaan kon zijn reputatie niet waarmaken. Al vlak na de start op de Prins Hendrikkade in Amsterdam bleek het hoge tempo van onder anderen zijn landgenoten Charles Omwoyo (de uiteindelijke winnaar in 45.49 minuten), Thomas Osano (tweede) en Simon Lopuyet (derde) te veel voor hem. “Maar wat wil je, dit was pas mijn tweede wedstrijd van het jaar. En de eerste liep ik alweer zo'n half jaar geleden. Dit seizoen is door blessures verloren gegaan. Pas vijf, zes weken geleden kon ik de training hervatten. Daardoor heb ik natuurlijk een conditionele achterstand, maar dat is niet het voornaamste. Ik kan nog geen pure snelheid ontwikkelen.”

De afgelopen jaren, toen hij niet werd gehinderd door een kwetsuur aan zijn rechterknie, kon hij dat wel. Internationaal deed hij voor het eerst van zich spreken op 25 juni 1991, op de Adriaan Paulen Memorial in Hengelo. Niemand kende hem toen nog. En als hij op het laatste moment niet aan het deelnemersveld was toegevoegd, had zijn doorbraak ook nog wel even op zich laten wachten. Maar daags voor de wedstrijd kreeg Jos Hermens, (verantwoordelijk voor het contracteren van de buitenlandse sterren) een telefoontje van een atletenmanager uit Londen. Met een smeekbede of hij alsjeblieft nog plek had voor een junior uit Kenia. Hermens streek de hand over het hart en stemde toe. En hij heeft er geen spijt van gekregen: Chelimo won niet alleen in Hengelo, hij liep ook de snelste tien kilometer van het seizoen en benaderde het wereldrecord tot minder dan drie seconden.

Later dat jaar werd Chelimo op de wereldkampioenschappen in Tokio tweede. In de eindstrijd moest hij net zijn meerdere erkennen in zijn landgenoot Moses Tanui. In 1992 moest hij opnieuw genoegen nemen met de tweede plaats op de belangrijkste tien kilometer van dat jaar, ook al begroette het publiek in het Olympisch Stadion van Barcelona hem als de morele winnaar. Chelimo had in de Olympische finale lange tijd op kop gelopen, samen met de Marokkaan Skah en ver voor de overige deelnemers. Met nog vier ronden te gaan haalde het tweetal Skahs landgenoot Boutayeb in. Die sloot zich tot ieders verrassing echter aan bij de koplopers en ging even later zelf op kop lopen, waardoor de indruk ontstond dat hij Skah hielp. Met nog een ronde te gaan gaf Boutayeb onder luid gefluit van het publiek op, waarna Skah in de eindstrijd de 'gedolde' Chelimo makkelijk voor bleef.

Even leek het erop dat de Keniaan alsnog de gouden medaille uitgereikt zou krijgen. Maar de aanvankelijke diskwalificatie van Skah werd na een Marokkaans protest door de jury d'appèl weer ingetrokken.

“De olympische tien kilometer ligt ver achter me”, zegt Chelimo, die verleden jaar vijf dagen in het bezit was van het wereldrecord op die afstand en derde werd op het wereldkampioenschap in Stuttgart. “Natuurlijk was ik teleurgesteld. Teleurgesteld en vooral bedroefd, omdat er voor mijn gevoel door het samenspel tussen de Marokkanen geen sprake was van een eerlijke strijd. Maar ik denk liever niet terug aan wedstrijden die geweest zijn, ongeacht mijn klassering. Dat is toch alleen maar verspilling van tijd? Tijd die ik beter kan besteden aan het trainen voor een volgende wedstrijd.”

Tijd die hij vooral nu nodig heeft. Om weer de conditie en snelheid van voor zijn blessure terug te krijgen. En, weet hij, eigenlijk nog sneller te worden dan hij al was. Want in zijn land zijn lange-afstandlopers van wereldklasse uit voorraad leverbaar. En alleen de allerbesten worden uitgezonden naar wereldkampioenschappen of Olympische Spelen. En bij de allerbesten wil Chelimo weer horen. Gelukkig, zegt hij lachend, heeft hij geen hekel aan trainen.

Trouwens, trainen? Het is beter van een way of life te spreken. Want lopen, hardlopen, heeft hij zijn hele leven al gedaan. Als kind liep hij iedere ochtend de vijf kilometer van zijn ouderlijk huis in het dorpje Rift Valley naar een school in een ander dorp. Om aan het eind van de middag terug te hollen om thuis te vertellen wat hij had geleerd. Als tiener liep hij het traject vaak vier keer: hij lunchte liever thuis dan op school en dus rende hij in de pauze van krap twee uur vaak ook nog even op en neer.

“Toen, als jochie in Rift Valley, wist ik natuurlijk niet dat die dagelijkse tochtjes naar school eigenlijk al een training waren”, zegt de 1.63 meter lange Chelimo. “Maar ze hebben natuurlijk wel de basis gelegd voor mijn latere loperscarrière. Zoals dat voor vrijwel alle Keniaanse toplopers geldt.”

“Hé, Richard”, roept een vrouwenstem als Chelimo met een flesje fris aan de mond nog staat bij te komen van de Dam-tot-Dam-loop. Hij kijkt op en lacht als hij Corine ziet. Corine is “zo'n beetje zijn persoonlijke begeleider zolang hij in Nederland is”. Gisteravond, vertelt ze, heeft ze erg met hem gelachen op een 'pasta party'. “Hij is echt een grapjas.” Maar nu is het Chelimo die moet lachen om Corine. Ze heeft een busje geregeld om hem terug te brengen naar zijn hotel. “Een busje? Voor die paar kilometer?”, klinkt het verbaasd. Hij mag dan moe zijn maar die paar kilometer kan hij “heus nog wel” lopen. Chelimo weet het zeker: niet hij is de grapjas, maar Corine.