Sinéad O'Connor

Sinéad O'Connor. Universal Mother (8 30549 2)

Dat er toch nog een vierde cd van Sinéad O'Connor is gekomen, is opmerkelijk na haar herhaalde aankondigingen uit de muziekbusiness te stappen. O'Connor heeft de plaat dan ook voorzien van een titel die duidelijk maakt hoe verantwoordelijk haar taak is: ze is namelijk de Universal Mother.

En als een 'universele moeder' ontfermt ze zich over verstotenen en ongelukkigen. Over de door de Engelsen vertrapte Ieren, over mishandelde kinderen, en vooral: over zichzelf. Het grootste deel van Universal Mother is gevuld met verstilde hymnen; O'Connor heeft de mogelijkheden van haar stem teruggebracht tot bescheiden proporties. Een meisjesachtige, weifelende stem zingt nu onder pianobegeleiding haar confessionele vertellingen, op een manier alsof ze al zingend nog de juiste toon moet vinden.

Op deze manier vertolkt is de emotionele lading van de teksten over haar mishandelende moeder, haar ex-man, haar zoontje en enkele niet nader benoemde personen die haar hebben 'gered', moeilijk verteerbaar. Dat het anders kan blijkt uit enkele nummers. Famine, dat in timbre lijkt op Madonna's Justify My Love, is een onderkoeld en daardoor goed verstaanbaar en aangrijpend relaas over de 'verkrachting' van het Ierse volk. Ook de eerste song na de openingswoorden van feministe Germaine Greer, Fire On Babylon, is meer gestileerd. Het combineert rustig verende baspartijen en gitaren in dub met haar ijl krijsende stem tot een ruimtelijk kunststukje. Of Red Football, waarin de tekst ('My head is not a football for you') uiteindelijk wordt afgesloten met een pesterig 'Lalalalala'. O'Connors exhibitionisme is net als haar publieke persoon, wel erg nadrukkelijk. Maar ingebed in een arrangement dat tegenwicht biedt, hebben haar ongecensureerde emoties een indringend effect.