Kijker

Mijn verrekijker is terug (van de zomer zat ik op een warme avond op een terrasje in Amsterdam, komt er een zwerver op me af: hé maat, heb je twee piek voor me, dat ik een spaatje kan nemen of zo; ik pak mijn portemonnee, ik geef die man wat hij vraagt, ik wend me tot een kennis van me die hoofdschuddend heeft toegekeken en zeg: luister, ik heb vandaag besloten om voor twaalfhonderd gulden mijn verrekijker te laten repareren, dan ga je natuurlijk niet moeilijk zitten doen tegen iemand die twee piek nodig heeft) en nou wil ik weleens weten of hij het weer doet, mijn kijker dus.

Na een stormloop van achtereenvolgende depressies te hebben afgeslagen, ligt de polder in alle rust onder een frisblauwe hemel.

Ik richt me op een toevallig groepje kieviten. Ik beweeg mijn blikveld met ze mee en opeens komt er een roofvogel binnenzeilen, een als een visarend getekende buizerd.

Waarom zeg ik nu niet gewoon dat het een visarend wás? Een visarend had op een dag als deze goed gekund en wie zou me moeten tegenspreken? Wat let me eigenlijk?

O, die verdraaide eerlijkheid van mij: een alledaagse, zij het wat witachtige buizerd, na al die regen, oponthoud, nog altijd op zijn dooie akkertje.

Hij glijdt, hij cirkelt en hij kijkt, steeds dichterbij, zijn ogen geel, zo scherp als diamant.