KARL POPPER, 1902 - 1994; Grensbewaker van de wetenschap

De filosoof Karl Popper stierf zaterdag in Croydon, Zuid-Londen, op 92-jarige leeftijd aan kanker. “Ons leven is zowel biologisch, kennistheoretisch als politiek-filosofisch een eindeloze zoektocht,” schreef hij in zijn intellectuele autobiografie. Die tocht is nu geëindigd.

Geboren in Wenen in 1902, werd Popper, na een aanvankelijke loopbaan als leerling-meubelmaker en onderwijzer, een van de belangrijkste wetenschapsfilosofen van de twintigste eeuw. In 1965 werd hij geridderd, maar hij bleef eenvoud in zijn vaandel voeren. Schoolmeester bleef hij ook, zoals menigeen moest ervaren die Sir Karl op een foutje dacht te kunnen betrappen.

Het heeft geruime tijd geduurd voor Popper de erkenning kreeg die hem toekwam. Zijn belangrijkste boek, Logik der Forschung, werd bij verschijnen in 1934 aanvankelijk gehouden voor een variant van de dan toonaangevende interpretatie van wetenschap, het logisch-empirisme. Toen Popper in 1936 zijn denkbeelden in Engeland uiteenzette, hield men zijn stelling dat in de wetenschap de inductieve methode geen rol speelt, zelfs voor een geslaagde grap.

Bekendheid kreeg Popper pas door zijn politiek-filosofische ideeën die hij vlak voor de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde en die in The Poverty of Historicism en The Open Society and Its Enemies werden gepubliceerd. Hij bekritiseert in deze geschriften het idee dat het de taak van de sociale wetenschappen is de geschiedenis te voorspellen en hij keert zich tegen linkse, rechtse en ook klassieke politieke filosofen die in een omvattende blauwdruk de weg zien naar een rechtvaardige maatschappij.

Zulke ideeën leiden slechts tot tirannie, aldus Popper. Politiek zou er niet op gericht moeten zijn rechtvaardigheid te bewerkstelligen, maar zou onrechtvaardigheid moeten elimineren. Deze ideeën leverden hem de steun op van de econoom Haijek die hem een baan als filosoof bezorgt; eerst, in 1937, in Nieuw-Zeeland en vanaf 1946 aan de London School of Economics.

Wanneer in 1959 de Engelse vertaling van Logik der Forschung verschijnt, is het klimaat voor Poppers wetenschapsfilosofische ideeën gunstiger. Het logisch empirisme is inmiddels hopeloos in technisch-filosofische moeilijkheden verstrikt geraakt en Poppers boek wordt nu als een origineel werk begroet. Zijn kritisch rationalisme zal daarna gedurende twee decennia vooral in Engeland en een deel van het Europese continent voor veel wetenschapsfilosofen de toon zetten.

Popper keert zich tegen degenen die op de vraag wat wetenschappelijke kennis onderscheidt, antwoorden dat zij via de inductieve methode op waarnemingen gefundeerd is. Dat antwoord klopt niet, zo merkt Popper op. Op basis van een beperkt aantal waarnemingen valt niet logisch een algemene conclusie te trekken. Ook als we wekenlang dag-in-dag-uit vaststellen dat het in Nederland regent, mag daaruit nog niet geconcludeerd worden dat het hier altijd regent. Als wetenschappelijke kennis inductief op waarnemingen zou berusten, zou het slecht met haar zijn gesteld. Het onderscheidende kenmerk van wetenschappelijke kennis moet daarom elders gezocht worden. Popper wijst er op dat een simpele omkering ons verder kan helpen. De waarheid van de algemene uitspraak dat het in Nederland altijd regent mag dan weliswaar niet op een beperkt aantal waarnemingen te funderen zijn, het omgekeerde geldt wel: één droge dag is voldoende om de onwaarheid van de desbetreffende algemene uitspraak aan te tonen.

Dit zet Popper op het spoor dat tot een nieuwe formulering van het onderscheidende kenmerk van wetenschap zou leiden. Niet het fundament van haar kennis, maar een procedure demarceert wetenschap. Wie wetenschap beoefent probeert te leren van fouten door feilbare ideeën voort te brengen die door waarnemingen kunnen worden gekritiseerd. Wanneer dan blijkt dat een theorie de toets der kritiek niet doorstaat, zal men trachten haar te verbeteren.

Wetenschappelijke kennis onderscheidt zich dus niet door een opstapeling van feiten, maar door groei die ontstaat door systematisch fouten uit bestaande inzichten te verwijderen. Om het predikaat wetenschappelijk te mogen dragen, moet een theorie dan ook aan een minimum-voorwaarde voldoen: zij moet op een zodanige manier geformuleerd zijn dat haar eventuele fouten aan het licht kunnen komen. Wetenschappelijke theorieën moeten, zoals Popper het uitdrukt, falsifiëerbaar zijn.

De eenvoud van dit voorstel en de bedrieglijk heldere schrijfstijl van Popper maskeren gemakkelijk de diepte van zijn werk. Popper is in staat om in een klap drie revoluties die zich rond 1900 in de wetenschappen hebben voorgedaan van commentaar te voorzien. Zijn demarcatie-voorstel maakt begrijpelijk waarom de Newtonse mechanica, die in de eeuwen ervoor door duizenden waarnemingen en experimenten ondersteund was, toch door de relativiteitstheorie vervangen werd: problemen die met Newtons theorie niet opgelost konden worden, konden dat wel met Einsteins theorie.

Het voorstel stelt Popper in de tweede plaats in staat om kritisch commentaar te geven op diepte-psychologische theorieën: Freuds denkbeelden zijn volgens Popper zodanig geformuleerd dat eventuele fouten ervan nimmer aan het licht kunnen komen; wetenschappelijk kunnen ze daarom volgens hem niet worden genoemd.

In de derde plaats kan Popper er op wijzen dat zijn voorstel strookt met Darwinistische denkbeelden: wetenschap ontwikkelt zich niet via een Lamarckiaans, inductief proces van verandering door aanpassing, maar door een proces van variatie en selectie van theorieën. Het verschil tussen een amoebe en Einstein, schrijft Popper, bestaat daarin dat de laatstgenoemde oplossingen voor problemen bewust kritisch onderzoekt. Zo kan Einstein vele pogingen aan een onderzoek onderwerpen en fouten opsporen voor zij fataal zijn. Dat evolutionaire voordeel heeft de amoebe niet.

Poppers beeld van wetenschap is dat van een gemeenschap van heroïsche waarheidszoekers. Wanneer er in de jaren zestig door Kuhn op wordt gewezen dat dit beeld niet met de feiten klopt, meent Popper aanvankelijk dat zijn criticus alleen de na-oorlogse wetenschappen op het oog heeft. Met de weinig kritische puzzelaars die Kuhn ten tonele voert kan hij slechts medelijden hebben, meldt Popper. Kuhn had echter wel degelijk ook de historische figuren op het oog die Popper als zijn helden ziet. Poppers onvermogen om adequaat op Kuhns kritiek te reageren duidt niet uitsluitend op de al te menselijke beperkingen van de filosoof die een theorie van de kritische methode propageert, maar er vervolgens zelf niet naar leeft.

De oorzaak ligt dieper. In Poppers evolutionaire kennistheorie spelen taalfilosofische kwesties een ondergeschikte rol. De betekenis van woorden is zelden een discussie waard, schrijft hij. Wat van belang is zijn problemen, theorieën en discussies over beweringen met het doel de waarheid te vinden. Die stellingname stelt terechte grenzen aan veel filosofisch geneuzel. Uit het feit dat over woorden zelden zinvol te discussiëren valt, volgt echter niet dat woorden en betekenissen de beperkte rol in de ontwikkeling van kennis spelen die Popper hen toedicht. Om de wetenschapshistorische feiten die Kuhn naar voren heeft gebracht te verdisconteren is een complexere theorie over de ontwikkeling van wetenschap nodig dan door Popper werd geformuleerd.

Terwijl in de jaren tachtig Poppers rol als de wetenschapsfilosoof langzaam uitgespeeld raakt, lijkt die van de politiek-filosoof weer belangrijker te worden. Door zijn kritiek op het marxisme, de nadruk op individuele vrijheid en zijn connecties met vrije-markt-denkers als Haijek, zijn velen in Popper een wegbereider van Thatcher gaan zien. De Observer van gisteren herdacht Popper zelfs uitsluitend als held van rechts. Daarmee wordt deze grote en onafhankelijke denker onrecht gedaan. “Niets zou beter zijn dan een bescheiden, eenvoudig en vrij leven in een egalitaire samenleving,” schreef Popper. “Het kostte me enige tijd om mij te realiseren dat dit weinig meer is dan een mooie droom; dat vrijheid belangrijker is dan gelijkheid; dat de pogingen om gelijkheid te bewerkstelligen de vrijheid in gevaar kunnen brengen; en dat, waar de vrijheid verloren gaat, er zelfs geen gelijkheid zal bestaan onder de onvrijen.” Wie in deze gedachten steun ziet voor een asociale politiek, geeft een misplaatst compliment aan de Iron Lady.