Junta in Haiti belooft macht over te dragen; Jonassaint kiest 'weg van de rede'

Het militaire bestuur van Haïti zal vóór 15 oktober de macht overdragen aan de gekozen president Jean-Bertrand Aristide. Troepen van de Verenigde Staten, aanwezig op schepen nabij Haïti, zullen vandaag in de hoofdstad Port-au-Prince aan land gaan, niet als invasiemacht maar om de orde te handhaven. Dit is het resultaat van twee dagen van besprekingen tussen de junta en een Amerikaanse delegatie onder leiding van oud-president Jimmy Carter.

PORT-AU-PRINCE, 19 SEPT. De door de junta geïnstalleerde president Emile Jonassaint, die het akkoord tekende, heeft vannacht voor de Haïtiaanse radio en televisie verklaard te hebben gekozen voor “de weg van de rede” om “de vernietiging van Haïti te voorkomen”. De toespraak week sterk af van voorgaande redes van Jonassaint waarin deze steeds een uitdagende houding tegenover de internationale gemeenschap aannam.

Gisteravond werd nog hevig geschoten in het centrum van de hoofdstad Port-au-Prince. Rond het Champs de Mars, het centrale plein waaraan het Nationale Paleis, het hoofdkwartier van het leger en het hoofdbureau van politie liggen, en vanuit de buitenwijken waren herhaaldelijk pistoolschoten en vuur uit automatische wapens te horen. Aangenomen wordt dat Haïtiaanse militairen zo tegenstanders van president Aristide wilden intimideren.

Aan het begin van de dag trachtten Haïtianen nog in autobusjes de hoofdstad te ontvluchten uit vrees voor een Amerikaanse invasie. De straten van de hoofdstad waren later op de dag vrijwel uitgestorven. Voor de toegangswegen tot Port-au-Prince geldt een avondklok van zeven uur 's avonds tot zeven uur 's ochtends. Volgens het akkoord moet het Haïtiaanse parlement vóór 15 oktober een amnestiewet goedkeuren die de militaire leiders vrijpleit van de politieke moorden die in de afgelopen drie jaar van dictatuur zijn begaan. Volgens mensenrechtenorganisaties zijn in Haïti sinds de staatsgreep van september 1991 ten minste vierduizend mensen om het leven gebracht. In zijn televisietoespraak van vorige week stelde Clinton de Haïtiaanse junta rechtstreeks verantwoordelijk voor die moorden, die hij omschreef als “barbaarse misdaden”.

De Amerikaanse mariniers en infanteristen moeten tezamen met omstreeks 2.000 militairen en politiefunctionarissen uit 24 andere landen - waaronder Nederland - de orde handhaven, het bestuur over het eiland opnieuw opzetten en voorkomen dat de getergde aanhangers van de verdreven president Aristide wraak zullen nemen op de volgelingen van het militaire regime, met name op de civiele hulppolitie. Deze zogeheten attachés zijn in de afgelopen vier jaar verantwoordelijk geweest voor een groot aantal moorden. De verrassende ontknoping in de Haïtiaanse crisis volgde op een onderhandelingsinitiatief dat de Amerikanen op het laatste moment hadden ontplooid. Een delegatie onder leiding van oud-president Carter arriveerde zaterdag in Port-au-Prince in een toestel van de Amerikaanse luchtmacht. Daartoe hadden de autoriteiten in Haïti de landingsbaan van de internationale luchthaven weer geschikt gemaakt, nadat eerder vrachtcontainers waren geplaatst met het oog op de dreigende invasie. De missie-Carter hield zaterdag twee onderhandelingsrondes met generaal Cédras, zonder dat enige resultaat werd geboekt. Gisteren volgden een derde en vierde ronde, die zes uur langer duurde dan voorzien.

Pag.5: 'Junta zwichtte voor dreiging vernietigd te zullen worden'

Aan het eind van de derde onderhandelingsronde tussen de missie-Carter en de junta zou het de regerings-Boeing 707 al met draaiende motoren hebben klaargestaan, terwijl Carter het laatste Amerikaanse bod op tafel legde, tegelijk met bewijzen van de ophanden zijnde invasie.

Een volgens sommige waarnemers “zeer, zeer scherpe” Carter zou de junta hebben gezegd dat “hun familie gevaar loopt getroffen te worden bij Amerikaanse aanvallen”. Carter had de junta gezegd dat zijn missie slechts tot doel had dat de junta moest vertrekken en Aristide zou terugkeren. In het geval van een militaire invasie zou het Haïtiaanse leger volgens Carter worden “vernietigd”, er zouden grote aantallen slachtoffers vallen en vewoesting op grote schaal plaats hebben.

Carter kent Cédras van de tijd dat hij waarnemer was bij de Haïtiaanse verkiezingen in 1990. De voormalige chef van de generale staven, generaal b.d. Colin Powell, leidde de Amerikaanse invasie van Panama in 1989 en zou de Haïtiaanse militairen er “van soldaat tot soldaat” van hebben overtuigd dat hun ontslag “eervol” zou zijn.

Nog niet duidelijk is, of de Haïtiaanse militaire leiding het land daadwerkelijk zal verlaten en zo ja waar naar toe. Panama en Argentinië hebben zich dit weekeinde bereid verklaard generaal Cédras in ballingschap te ontvangen. Het akoord gaat niet in op een mogelijk vertrek van de junta. Het akkoord gaat niet in op de vraag of de militairen hun in de afgelopen drie jaar voornamelijk met smokkel van benzine en drugs bijeengeroofde bezittingen zullen mogen houden.

De VS hebben de juntaleiders vorige week opnieuw een “gouden ballingschap” aangeboden, waarbij zij van hun bezit in het buitenland zouden kunnen bezitten. Een deel van hun tegoeden in het buitenland is na het verscherpte embargo bevroren.

De onderhandelingen tussen de missie-Carter en de junta duurden veel langer dan was voorzien. Om een uur 's middags gisteren moest het pakken en laden voor de parachutisten beginnen. De delegatie in Haïti werd onder druk gezet om terug te komen. Toch bleven ze praten. Clinton belde regelmatig met de drie onderhandelaars via een beveiligde telefoonlijn.

Pas toen de Haïtiaanse chef-staf, generaal Philippe Biamby, het gezelschap meldde dat de Amerikaanse parachutisten onderweg waren en de vloot in Haïtiaanse wateren zich opmaakte voor de invasie, kwam er een akkoord in zicht. De internationale waarnemers aan de grens met het buurland de Dominicaanse Republiek waren toen volgens de Verenigde Staten “uit veiligheidsoogpunt” teruggetrokken. 's Avonds vertrok de vermoeide Amerikaanse delegatie uit Port-au-Prince naar Washington.

Eind vorige week werd al duidelijk dat zich een scheuring had voorgedaan in het triumviraat dat sinds de staatsgreep tegen Aristide op 30 september 1991 Haïti heeft geregeerd, toen bleek dat politiechef kolonel Michel François bereid was tot een overeenkomst met de Amerikanen. Generaal Cédras liet echter weten er de voorkeur aan te geven te willen “sterven in de strijd” tegen een invasiemacht en het land niet “met een oneervolle naam” wilde verlaten.

Generaal Philippe Biamby, de chef-staf van het leger, leek in deze de bevelhebber te steunen. Zaterdag ontvluchtten familieleden van François Haïti via de grens met de Dominicaanse Republiek bij de grensovergang Malpasse/Jimaní. In Haïti hadden vele militairen hun uniformen omgeruild voor burgerkleding, hoewel ze hun wapens behielden.

De Haïtiaanse televisiezender beperkte zich gisteren verder tot culturele programma's en een Amerikaanse speelfilm die werden afgewisseld met beelden van de Amerikaanse invasie in Panama in 1989 zoals die al maanden op de televisie hier te zien zijn.

Ook de televisietoespraak van Clinton werd vertoond, begeleid door opruiende teksten in Creools en Frans. Onder de speelfilm werd de volgende tekst vertoond: “Als de buitenlandse soldaten de Haïtiaanse zon willen bezoedelen, zal er een universele oorlog volgen”. Eerder op de dag hadden aanhangers van het regime gedemonsteerd voor het nationale paleis waar de delegatie-Carter en generaal Cédras hun laatste gespreksronde hielden.

De internationale vredesmacht die in de komende dagen in Haïti aan land zal gaan, bestaat uit ruim 14.000 manschappen. Onder hen zijn vermoedelijk 200 Nederlandse mariniers die gestationeerd zijn op Curaçao.

De taak van de onder de vlag van de Verenigde Naties en de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) opererende vredesmacht zal in eerste instantie bestaan uit ordehandhaving in een land waarin gerechtigheid eerder uitzondering dan regel is. De troepen moeten bovendien zorgdragen voor de veiligheid van president Aristide wanneer deze uiteindelijk terugkeert naar Haïti en vervolgens een begin maken met het herstel van het openbaar bestuur op het eiland. Dat ontbreekt goeddeels sinds de staatsgreep tegen Aristide in 1991. Ook de presidentiële en parlementsverkieizngen die eind volgend jaar worden gehouden, worden door de vredesmacht van de VN en de OAS georganiseerd.