Interventie, geen invasie

DE BEMIDDELINGSMISSIE VAN oud-president Carter, generaal Powell en senator Nunn bij de Haïtiaanse junta heeft een succes opgeleverd. Maar dat succes was ondenkbaar geweest zonder het Amerikaanse machtsvertoon op de achtergrond. Volgens president Clinton heeft het feit dat de eerste invasietroepen zich al in de lucht bevonden, de doorslag gegeven. De junta ruimt het veld voor de gekozen president Aristide, ook al hoeven de generaals niet hun koffers te pakken. Amerikaanse en internationale troepen die vanaf vandaag aan land gaan zullen op de naleving van de overeenkomst toezien.

Het is de tweede keer dat Carter Clinton uit de nesten helpt. Onlangs suste de oud-president een 'n climax naderende crisis over de Noordkoreaanse atoombom, dit weekeinde wist hij met zijn bemiddeling een frontale botsing tussen Amerikaanse en Haïtiaanse strijdkrachten te voorkomen. Misschien moeten er nog incidentele haarden van verzet worden opgeruimd - Clinton hield daarmee vannacht duidelijk rekening - maar met de capitulatie van de generaals heeft de junta toch zijn greep op de toestand verloren.

WAT HAÏTI ZELF BETREFT is er reden tot tevredenheid. De bevolking is er niet verwend met zijn bestuurders: generaties lang is zij het slachtoffer geweest van machthebbers die slechts hun eigen belangen dienden en verzet met openlijk geweld en met sluipmoord onderdrukten. De ex-priester Aristide was onder die omstandigheden als 'man van het volk' een lichtpunt in een historische duisternis. Aan de capaciteiten van Aristide om een uitgeputte gemeenschap naar een betere toekomst te leiden wordt inmiddels sterk getwijfeld. Maar wat is in deze door armoede en voodoo-rituelen beheerste samenleving het alternatief? De luttele maatschappelijke structuren die er zijn, zijn gecorrumpeerd door misdaad en zelfverrijking ten koste van de kanslozen.

Ook na Aristide's terugkeer is regressie nog steeds heel goed mogelijk. De generaals mogen in het land blijven, er wordt hun algehele amnestie verleend. Dat laatste moet door het parlement worden bekrachtigd. Het herstel van de democratie in Haïti begint derhalve met een van buiten af bij voorbaat aan de volksvertegenwoordigers opgelegde verplichting. Bepaald niet fraai, maar verdedigbaar zolang de vicieuze cirkel van intimidatie en uitbuiting zonder een overdaad aan geweld kan worden doorbroken.

VOOR DE POSITIE VAN Clinton is het resultaat onduidelijk. Na lang aarzelen stond de president eindelijk op het punt de strijdkrachten in te zetten. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties had daartoe anderhalve maand geleden een mandaat verleend. Maar in Amerika bleef de populariteit van een eventuele interventie in Haïti nagenoeg nihil. Aan de eens door Clinton zelf geformuleerde voorwaarde dat gewapend ingrijpen in een ander land de steun moest hebben van Congres en volk, was dus niet voldaan. Een missie-op-het-laatste moment als die van Clintons eminente partijgenoten Carter en Nunn en van Amerika's meest geziene militair, Powell, was daarmee onvermijdelijk geworden.

De buitenlandse politiek van Clinton en zijn adviseurs heeft tot dusver allesbehalve indruk weten te maken. Nu zij dan toch tot handelen bereid waren, kon assistentie van buiten de regering niet worden gemist om het tekort aan politieke geloofwaardigheid te compenseren. Wellicht zal dat feit een schaduw blijven werpen over het nu behaalde succes.

DE PRESIDENT HEEFT er alles aan gedaan zijn actie tegen de Haïtiaanse junta te houden binnen de lijnen van een VN-mandaat. Daartoe wenste hij niet alleen een ondersteunende uitspraak van de Veiligheidsraad, maar ook een bijdrage van andere landen in de interventiemacht. In beide verlangens zijn de partners hem tegemoet gekomen, en in zijn rede vannacht onderstreepte hij het internationale karakter van de onderneming dan ook verschillende malen. Daarmee volgt hij in wezen de aanpak van zijn voorganger Bush in de Golfoorlog. Zelfs in hun traditionele 'achtertuin' willen de Amerikanen niet meer eigenmachtig opereren. Maar de keerzijde is dat de VN de voorwaarden waaronder interventie in een lidstaat mag worden toegepast, gaandeweg aanzienlijk hebben verruimd.