Ida Affleck Graves, een balsturig meisje van 92

Ida Affleck Graves: A Kind Husband. Uitg. Oxford University Press, prijs 6,95 pond.

Ze heeft altijd geweten dat ze over bijzondere gaven beschikte. Dat ze 'twee en twee tot vijf' kon maken. Dat wat ze schreef 'verdomde goed' was. Maar ze heeft wel heel lang moeten wachten op erkenning. Donderdag komt haar dichtbundel A Kind Husband uit bij de Oxford University Press, die ook de poëzie van Joseph Brodsky en Marina Tsvetajeva heeft uitgegeven. Wat ze daarvan verwacht? “Roem en glorie. Niets minder.” Dat zegt ze met een hoge hiklach, die Ida Affleck Graves weer even tot balsturig meisje maakt. Ondanks haar 92 jaar.

Ze woont in een zestiende-eeuws wevershuis op het platteland van Oost-Engeland. Maar eigenlijk is haar woonstee niet groter dan de chaise-longue waarop ze zich heeft neergevleid. Jicht en 'een rotte rug' hebben haar koninkrijk beperkt tot de ruimte die ze inneemt. Haar tengere gestalte, door een straalkacheltje verwarmd, oogt extra breekbaar naast de kolossale stapels boeken aan het voeteneind.

Haar moeder vond haar maar een lastpost toen ze, rijmwoorden zingend, als peuter door het huis liep te stampen. Ze kon er niks aan doen, zegt ze opnieuw met die hoge hiklach. “Ik ben vanaf het begin gek geweest op woorden. Op de muziek en cadans van de woorden. Dat is nooit meer overgegaan.”

Ook niet toen ze als 6-jarig meisje van Ootacamund in India, waar haar vader als chirurg voor de Britse overheid werkte, naar een school in Engeland werd gestuurd. Ze voelde zich afgesneden van alles waarmee ze zich verbonden waande. Van haar ouders. Van een warm en kleurrijk land waar ze door behoedzame handen in de koets werd getild. Van haar mooie, bruine speelkameraadje. Van het zangerige hindoestaans.

Daarvoor in de plaats kwamen harde handen die haar op de knieën dwongen, die haar in het gezicht mepten als ze durfde tegenspreken, die haar boven naar de donkere kamer sleepten waar ze zonder eten werd achtergelaten. Maar nooit, nooit heeft ze zich voor haar woorden of daden verontschuldigd. En nooit, nooit heeft ze meegebeden in die school waar de gangen schalden van de religieuze hymnes. “Ik ga me daar een beetje in de lucht zitten murmelen. En die onbevlekte ontvangenis van Maria heb ik ook onmiddellijk als grote onzin aan de kaak gesteld. Dan kreeg ik weer een lel.”

Ze vond de school 'verschrikkelijk, ontzettend, gruwelijk'. Het eerste gedicht dat ze daar schreef was dan ook - ze zegt het met innige tevredenheid - 'schokkend stout'. Het ging over de hoofdonderwijzeres en het telde maar vier regels, die in haar hersens staan gekerfd, in de goed geconserveerde kwab, waar ze ook de toneelstukken van Shakespeare en de gedichten van Larkin en Plath opgeslagen heeft: She blinks She stinks She is vain of her tone She is pretender

Dat gedichtje schreef ze diep weggedoken onder de dekens in het diepste geheim, net als al haar volgende gedichten. De staf mocht niks merken van haar poëtische aandrift want creativiteit en intelligentie werden beschouwd als uitingen van hoogmoed en opstandigheid, die gesnoeid moesten worden. Vonden ze een van haar krabbels die ze de volgende ochtend niet eens zelf meer kon lezen, dan verscheurden ze het papier voor haar ogen. Kreeg ze weer een pets tegen haar kop. Ze wrijft over de plek in haar nek die 85 jaar later nog altijd pijn doet. Opnieuw die hiklach. “Ik was al vroeg een martelaar van de kunst.”

Ook haar beide echtgenoten hebben zich heftig verzet tegen haar schrijverijen. De eerste was “verschrikkelijk bezitterig, gruwelijk jaloers, seksueel onbekwaam door een oorlogswond.” Ze was blij dat hij dood ging.

De tweede was de schilder en illustrator Blair Hughes-Stanton, “een en al charme”. “Maar sadistisch. Een vrouwenjager. En steeds maar in de kroeg.” Ze had hem bijna gewurgd - “hij was al blauw” - toen hij het hooi indook met “zo'n simpel deerntje uit het dorp”. Al is ze geen snob. “Tenminste meestal niet.” Uiteindelijk heeft ze hem de trap afgeschopt - “na twintig jaar huwelijk” - en nooit meer teruggezien.

Met Hughes-Stanton had ze ooit in eigen beheer een boek uitgegeven - Epithalamion - dat in 1937 op de Biennale van Venetië werd bekroond. Maar later zei hij dat ze eens moest ophouden met al die rotzooi schrijven, want dat hij er anders vandoor zou gaan. Dat was nadat in 1945 haar bundel Mother and Child verscheen op D-Day, een dag die al haar dichtwerk in de schaduw stelde. Net zoals haar eerste bundel - The China Cupboard, in 1929 gepubliceerd bij de Hogarth Press van Virginia Woolf - bleef ook nu haar poëzie volstrekt onopgemerkt.

Daarna volgden “de jaren van stilte”. Gelukkige jaren, want de jazzpianist Don Nevard kwam langsrijden op zijn motor - zij begin 50, hij 25 - en hij is nooit meer weggegaan. Maar ook de jaren waarin al haar gedichten ongelezen in de la van het dressoir verdwenen. “Niemand in de buurt die zich ook maar een beetje voor poëzie interesseerde. Als ik per ongeluk de naam van Auden liet vallen, dachten ze dat ik het over een poetsmiddel had. Toen ik eindelijk een keer de moed had om aan goede vrienden te vragen of ze een van mijn gedichten wilden horen, zeiden ze: 'Sorry Ida, om half vijf komt de loodgieter. We moeten echt naar huis'.”

Ze vroeg zich regelmatig af wat het nog voor zin had om gedichten te maken als toch niemand ze ooit las. Ze ging alleen maar door omdat ze 'het rinkelen' in haar hoofd niet kon stoppen. Pogingen om haar gedichten afgedrukt te krijgen strandden stelselmatig op haar 'praktisch onvermogen'. Op kunstgebied kan ze alles wat maar in haar opkomt. Beeldhouwen, schilderen, schrijven. “Maar ik kan niks wat werkelijk nuttig is, behalve grappig zijn. Ik kan niet typen. Ik kan niet autorijden.” Haar handgeschreven gedichten kwamen steeds per kerende post retour.

Totdat er twee jaren geleden “een wonder gebeurde”. Peter Wallis, een jonge onderwijzer uit Norwich, had in een oud poëzieblad een paar van haar gedichten gelezen. Daar was hij zo van onder de indruk geraakt, dat hij een uitgebreide zoektocht ondernam om haar adres te achterhalen. Hij was het die aanbood haar gedichten uit te typen. Hij was het die met haar poëzie de boer op ging en die haar aanmoedigde vooral veel meer te schrijven.

“Sindsdien is mijn leven volkomen veranderd”, zegt ze stralend. “Daarvoor bestond ik niet. Nu krijg ik fanmail.” Ze trekt denkbeeldige bretels naar voren. Trekt haar nuffigste gezicht. “Tegenwoordig heb ik zelfs mijn eigen publiciteitsagent. En het kan me geen sodemieter schelen als je daar jaloers op bent.”

Eerst verschenen twee van haar gedichten in The Times Review. “Ze belden op of honderd pond genoeg was. Ik kon alleen maar hijgen. Ik dacht: The Times gaat zelfs naar China. Na al die jaren krijgt Ida eindelijk haar glimpje roem.”

En deze week komt dus na veertig jaar zwijgen haar “prachtige dichtbundel”uit, wat “ongelofelijk is als je in aanmerking neemt welke geweldige nadelen in mijn persoon zijn verenigd”. “Want uitgeverijen houden nog altijd niet van vrouwen. En zeker niet als ze hun bestaan zo aanstootgevend lang weten te rekken als mij dat is gelukt.”

Jammer vindt ze dat de titel van de bundel A Kind Husband tot misverstanden blijkt te leiden. “Mensen denken dat het een seksueel leerboek is. Terwijl ik die titel juist zo slim gekozen vond. Ik dacht: 'Alle vrouwen met een aardige man die kopen de bundel'. En alle vrouwen met een etter van een vent kopen ook die bundel, zodat hij er iets van kan opsteken.”

Ze wil een cult worden. Ze wil eindelijk gelezen worden. Voor een volgende bundel liggen al vijf gedichten klaar. Maar ze maakt er niet meer dan één per zes weken. Ze koestert geen illusies. “Voor mijn tweede bundel uitkomt, lig ik al lang en breed onder de grond.”

POPPIES

This so-an-so of a man has the tidy eye on

My Poppies. Terrifies them, threatens to throw in

Along with cabbage rot and mish-mash of old skins

And fly buzzing decay of our old sorrows

All all their scarlet flounces and swollen black suns

This so-and-so swears they now need the chop.

These poppies, weed rubbish and trample for the tip

Why oh why when the scarlet stuns you for love of it

When buds know it, droop and hang to meek to the blow.

Leave them alone, or I go too.

IDA AFFLECK GRAVES