Waaghalzen in het Heilige Land

Malcolm Barber: The New Knighthood. A History of the Order of the Temple 441 blz., geïll., Cambridge University Press 1994, ƒ 110,10

PL H.J.A. Sire: The Knights of Malta 305 blz., geïll., Yale University Press 1994, ƒ 98,50

De 'Renaissance van de twaalfde eeuw' bracht een aardverschuiving in de Westerse mentaliteit teweeg, zoals de triomf van de Aristotelische logica en de opkomst van de gothiek, maar ook in wat men een beetje voorbarig de 'wereldorde' zou kunnen noemen. Na eeuwenlange achterhoedegevechten tegen Noormannen, Magyaren en Arabieren, waarvan het Roelantslied de dramatische verbeelding was, had het christendom het initiatief herwonnen. De Noormannen raakten gesettled, en de Hongaren gekerstend. In Spanje waren de koninkrijken van Castilië en Aragón aan een opmars tegen de islam begonnen die pas met de val van Granada in 1492 een einde zou nemen.

Maar in het Nabije Oosten, dat in die tijd nog deel uitmaakte van de christelijke wereld, was de situatie penibeler. Met de vestiging van de agressieve Seldsjoeken-natie in Turkije kwamen de pelgrimsroutes naar Syrië en Palestina aan het einde van de elfde eeuw onder druk te staan en die benauwenis, in combinatie met een nieuw gevoel van eigenwaarde, gaf aanleiding tot de Eerste Kruistocht (1099) en de stichting van het 'Koninkrijk van Jeruzalem', een christelijke kolonie die het tweehonderd jaar zou volhouden.

De twee krijgszuchtige kloosterordes, de Tempeliers en de Ridders van St. Jan van Jeruzalem, die in het spoor van de Eerste Kruistocht ontstonden waren zowel een uitdrukking van het nieuwe Europese bewustzijn als van de verschoven machtsverhoudingen. In de woorden van St. Bernard, die wel geen zwaard droeg maar in het bezit was van een scherpe pen, vormden zij 'de nieuwe ridderschap' waar de titel van Barbers boek van spreekt. Deze monniken, wier gelofte van kuisheid en armoede geen liturgische discipline maar militaire paraatheid tot doel had, beschermden de pelgrims op weg naar de heilige plaatsen, schonken hun onderdak en bijstand ('Hospitaalridders'), steunden èn dwarsboomden de latere kruisvaarders bij hun waaghalzerijen en schiepen zo een uitgebreid en ingewikkeld netwerk van logistiek, internationale diplomatie en financiering. Gehoorzaamheid waren zij slechts verschuldigd aan hun 'Grootmeester' en de paus, en zij legden dan ook een gezonde minachting aan de dag ten opzichte van rivaliserende wereldlijke en geestelijke machten.

Beide boeken over de militante ordes ontrafelen de vele draden van de ridders aan het front in Jeruzalem met de in provincies opgedeelde achterban. Dáár moesten de middelen opgeleverd worden, via belastingen op markten, of door exploitatie van landerijen, om de grimmige kastelen en dure stoeterijen in 'Outremer', het overzeese Palestina, te onderhouden. Het zwaartepunt van de ruggesteun lag in de Franse landen, in de Provence en Aquitanië, waar de hoofse cultuur die aan het concept 'monnik-ridder' ten grondslag lag, haar eerste en sterkste vorm had gevonden. De middeleeuwers waren gul met legaten en privileges, want van begin af aan waren grote aflaten te verdienen met gunsten voor deze kampioenen van het Heilige Land. In 1131 vermaakte bijvoorbeeld koning Alfonso I van Aragón zijn hele rijk aan de Tempeliers en de Ridders van St. Jan, een royaal gebaar waar zijn verwanten niet blij mee waren en dat na veel getouwtrek met allerlei tienden en voorrechten werd afgekocht.

Patrouilles

Het is moeilijk te beoordelen in hoeverre de militaire bijdragen van de twee ordes het bestaan van het Koninkrijk van Jeruzalem hebben gerekt. Behalve uit hun niet altijd even oprechte medewerking aan reguliere kruistochten onder geduchte krijgsheren als Richard Leeuwenhart (1190) en keizer Frederik II (1228), bestond hun optreden voornamelijk uit 'chevauchées', bereden patrouilles, die het niet alleen op de 'ongelovigen' voorzien hadden, maar ook op christelijke baronnen die hun aanspraken in de weg stonden. Barbers verslag van de Tempeliers-geschiedenis kan ook een paar daverende nederlagen, te wijten aan overmoedige manoeuvres van de orde, niet verhelen. Aan de andere kant waren er in de Middeleeuwen geen andere krachten te vinden die langer hadden kunnen standhouden tegen de onophoudelijke stormloop van Mamelukken, Turken en Mongolen op het reepje zand aan de oostelijke Middelandse Zee. Niet zelden kwam dat neer op 'de duivel met de duivel uitdrijven'. De geo-politiek van het christelijk koninkrijk in Outremer doet onweerstaanbaar denken aan de situatie van Israel.

In 1291 valt Acra, de laatste sterkte. De Renaissance van de twaalfde eeuw is dan al lang voorbij en maakt plaats voor wat Barbara Tuchman, vanwege pest en oorlog, 'the calamitous fourteenth century' heeft genoemd. Voor de Tempeliers is het verhaal dan bijna uit. In 1307 beschuldigt de Franse koning, jaloers op hun macht en middelen, de organisatie van ketterij en sodomie, verbrandt enkele tientallen Tempeliers, intimideert de paus die min of meer zijn gijzelaar in Avignon is, en weet de orde opgeheven te krijgen.

Het 'proces' tegen de Tempeliers mag gelden als een vroeg voorbeeld van grondige en weloverwogen vervolging van overheidswege. Van hun roem rest na het ingrijpen van 'le roi très chrétien' niets dan een paar sombere kastelen en wat stoere kerkjes, als je het romantisch gerucht in het werk van Walter Scott en de flauwekul over de 'vloek en de schat van de Grootmeester' uit duistere kringen terzijde laat. Iets wat Barber niet heeft gedaan, waardoor zijn stemmige kroniek van deze 'mobiele brigade' op een dissonant eindigt.

Was de Ridders van St. Jan, beter bekend als de Hospitaal- of Maltezer Ridders, een beter lot beschoren? Het boek van Sire dat kleurrijk en luidruchtig afsteekt bij Barbers studie, waaraan alles sober is behalve de hoge prijs, wil de lezer al te graag overtuigen van de vitaliteit van de orde tot op de dag van vandaag.

En het is een mooi verhaal dat hij te vertellen heef, en rijk geïllustreerd: de belegeringen van Rhodos, waar de ridders na het verlies van Outremer een goed heenkomen hadden gezocht, de zeeroversavonturen in de zeventiende eeuw op Malta die Sire tevergeefs van een stichtelijke tintje probeert te voorzien, Malta, waarvandaan ze ook weer verdreven werden door Napoleon, een Russische tsaar die zich in de negentiende eeuw over hen ontfermde. Het is allemaal aardig om te lezen, maar de auteur geeft zich er geen rekenschap van dat de orde in de loop van zes eeuwen is afgegleden van het centrum van de wereld naar het 'buitenste buitenbos'. De voortreffelijke relaties van de Hospitaalridders met het fascisme kan Sire ook maar met moeite verhullen, en tenslotte moet de actualiteit van het gezelschap blijken uit de toekenning van het Grootkruis van verdienste aan president Reagan wegens zijn strijd tegen abortus provocatus.

Misschien is het toch maar beter voort te leven als een legende, zelfs als een zwarte legende zoals de Tempeliers, dan als een soort reactionaire vrijmetselarij. Maar wie wil weten hoe het nou echt zat met The Maltese Falcon moet het boek van Sire zeker lezen.